Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2020:1759

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
29 september 2020
Publicatiedatum
24 september 2020
Zaaknummer
200.266.927/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid voor illegale elektriciteits- en gasafname na vertrek medehuurster

In deze civiele zaak vordert netbeheerder Enexis betaling van schadevergoeding wegens illegale afname van elektriciteit en gas via een woning waar een hennepkwekerij is aangetroffen. De aansluiting stond op naam van appellante, die medehuurster was, maar zij ontkent de overeenkomst met Enexis en stelt slachtoffer te zijn van identiteitsfraude.

De rechtbank kende de vordering toe en het hof bevestigt dit oordeel. Het hof stelt vast dat appellante het huurcontract mede heeft ondertekend en dat de aansluitingen sinds november 2010 op haar naam staan. Hoewel zij beweert de woning in juni 2011 te hebben verlaten en niets met de hennepkwekerij te maken te hebben, heeft zij onvoldoende bewijs geleverd voor haar stelling van identiteitsfraude.

Het hof benadrukt de zorgplicht van de contractant om te voorkomen dat derden frauderen met de meters. Appellante is tekortgeschoten door de woning te verlaten zonder maatregelen te treffen om fraude te voorkomen. Daarom is zij aansprakelijk voor de schade die Enexis heeft geleden. De vordering wordt toegewezen en het vonnis van de kantonrechter wordt bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en veroordeelt appellante tot betaling van de schadevergoeding en proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.266.927/01
Zaaknummer rechtbank : 7306742 RL EXPL 18-24215

arrest van 29 september 2020

inzake

[appellante],

wonende te [woonplaats],
appellante,
hierna te noemen: [appellante],
advocaat: mr. A. Stretton-Tjahjadi te Leiden,
tegen

Enexis Netbeheer B.V.,

gevestigd te ‘s-Hertogenbosch,
geïntimeerde,
hierna te noemen: Enexis,
advocaat: mr. G.E.M.C. Reinartz te Eindhoven.

Het geding

Voor het eerdere verloop van het geding verwijst het hof naar het arrest van 5 november 2019 waarbij een mondelinge behandeling is gelast. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 januari 2020 en bij die gelegenheid is de memorie van antwoord genomen. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal gemaakt.
Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het gaat in deze zaak om het volgende.
1.1
[appellante] en [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) hebben met [verhuurder] (hierna: de verhuurder) op of omstreeks 17 november 2010 een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot de woning aan de [adres] te [plaatsnaam] (hierna: de woning).
1.2
De woning was aangesloten op het gas- en elektriciteitsnetwerk van netbeheerder Enexis.
1.3
Op 22 oktober 2013 heeft de politie in de woning een hennepkwekerij aangetroffen. Een medewerker van Enexis heeft geconstateerd dat de originele fabrieksverzegeling van de elektriciteitsmeter was verbroken en dat het telwerk van de gasmeter was beschadigd/verwijderd.
1.4
[betrokkene] is bij vonnis van 15 september 2017 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant strafrechtelijk veroordeeld wegens hennepteelt en het medeplegen van diefstal van elektriciteit.
2. Bij inleidende dagvaarding heeft Enexis gevorderd dat [appellante] en [betrokkene] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van € 19.535,17, te vermeerderen met wettelijke rente, en tot betaling van de proceskosten. Enexis heeft aan deze vordering ten aanzien van [appellante] primair ten grondslag gelegd dat zij tekort is geschoten in de nakoming van de met Enexis gesloten overeenkomst, en ten aanzien van [appellante] en [betrokkene] (subsidiair) dat zij onrechtmatig hebben gehandeld door te (laten) frauderen met de elektriciteits- en gasmeter. Enexis heeft hierdoor schade geleden die [appellante] en [betrokkene] dienen te vergoeden.
3. Bij vonnis van 11 juli 2019 heeft de kantonrechter de vordering toegewezen tot een bedrag van € 19.123,94, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarbij is tegen [appellante] verstek verleend; de kantonrechter heeft overwogen dat de vordering jegens haar niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt.
4. In hoger beroep heeft [appellante] gevorderd het bestreden vonnis, voor zover gewezen tussen Enexis en [appellante], te vernietigen en opnieuw rechtdoende de vordering van Enexis alsnog af te wijzen, met veroordeling van Enexis in de kosten van beide instanties.
5. Met haar grief komt [appellante] op tegen het oordeel dat de vordering niet onrechtmatig of ongegrond is. In de toelichting op de grief heeft [appellante] aangevoerd dat zij niet is tekort geschoten in de nakoming van een overeenkomst omdat zij nooit een overeenkomst heeft gesloten met Enexis en ook nooit een energie- of gasaansluiting voor de woning heeft aangevraagd. Zij kan daarom niet aansprakelijk worden gesteld voor de schade van Enexis op grond van wanprestatie. Zij heeft ook niet gefraudeerd met de elektriciteits- en/of gasmeter en had ook niets te maken met de hennepkwekerij. Zij heeft immers op of omstreeks 6 juni 2011 de woning verlaten en op dat moment bevond zich geen hennepkwekerij in de woning. Van een onrechtmatige daad is dan ook geen sprake.
6. Het hof zal beoordelen of [appellante] aansprakelijk kan worden gehouden op grond van de primaire grondslag (wanprestatie).
7. Enexis heeft gesteld dat de elektriciteit- en gasaansluiting op naam van [appellante] stonden. Enexis heeft als bijlage 6 en 7 bij de inleidende dagvaarding stukken overgelegd waaruit volgt dat de aansluitingen sinds 24 november 2010 op haar naam staan. Verder heeft Enexis er op gewezen dat ook de energienota’s van de energieleverancier (Essent) aanvankelijk zijn betaald van een (in de stukken omschreven) bankrekeningnummer op naam van [appellante] en op het feit dat zij medehuurster van de woning was. [appellante] heeft daar tegenover gesteld dat zij de aanvraag niet heeft gedaan, dat sprake is van identiteitsfraude en dat zij vermoedt dat [betrokkene] de aansluitingen op haar naam heeft gezet. [appellante] heeft niet betwist dat de betalingen vanaf het hiervoor bedoelde bankrekeningnummer zijn gedaan maar wel heeft zij betwist dat deze rekening in de periode tot en met 27 mei 2011 op haar naam heeft gestaan.
8. Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat [appellante] vlak voordat de energie-aansluitingen zijn aangevraagd het huurcontract (mede) heeft ondertekend. Zij is vervolgens (naar eigen zeggen) de woning als eerste (zonder [betrokkene]) gaan bewonen waarbij moet worden aangenomen dat zij toen ook energie heeft afgenomen. Dat zij maar een maand (van 4 mei 2011 tot 6 juni 2011) in de Basisregistratie personen op het adres van de woning stond ingeschreven sluit overigens niet uit dat zij ook al eerder in de woning heeft verbleven. Voorts staat als onweersproken vast dat na het vertrek van [appellante] uit de woning de betalingen aan de energieleverancier vanaf een bankrekeningnummer op naam van [betrokkene] zijn gedaan. Enexis heeft er dan ook terecht op gewezen dat als [appellante] door [betrokkene] als katvanger zou zijn gebruikt, niet valt in te zien waarom hij daarmee dan niet is doorgegaan. In het licht van deze omstandigheden had het op de weg van [appellante] gelegen om haar stellingen omtrent de identiteitsfraude voldoende te onderbouwen en/of daarvan specifiek bewijs aan te bieden (bijvoorbeeld door het doen horen van [betrokkene] als getuige). [appellante] heeft dat echter nagelaten. Het bewijsaanbod om de verhuurder te horen omtrent het moment van het vertrek van [appellante] uit de woning is niet ter zake dienend en zal daarom worden gepasseerd. Gelet op het voorgaande gaat het hof er vanuit dat [appellante] in een contractuele relatie met Enexis is komen te staan.
9. Op de contractuele wederpartij rust, gelet op de beginselen van redelijkheid en billijkheid, de verplichting om als een goed huisvader voor de aansluiting te zorgen. Dat betekent dat de contractant ervoor moet zorgen dat er geen ongeoorloofde aanpassingen aan de aansluiting plaatsvinden, waardoor elektriciteit/gas niet, niet juist of niet volledig door de meter wordt geregistreerd. Netbeheerders kunnen immers geen of nauwelijks toezicht houden op hun (talloze) aansluitingen, terwijl de contractant beter in staat is om te voorkomen dat (en te controleren of) er gefraudeerd wordt met de meter(s) door anderen die al dan niet met toestemming gebruik maken van de ruimte waarvoor de energie wordt geleverd. [appellante] is in die verplichting tekort geschoten door de woning te verlaten zonder maatregelen te treffen om te voorkomen dat derden met de meters konden frauderen.
Ook als juist is dat zij niet heeft geweten van de hennepkwekerij, dient dit naar verkeersopvattingen voor haar rekening te komen. [appellante] is daarom gehouden de door Enexis geleden schade te vergoeden.
10. Nu de schadevordering van Enexis voor het overige niet wordt betwist, is deze toewijsbaar. De grief faalt en het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Bij deze uitkomst past dat [appellante] zal worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep.

Beslissing

Het hof:
- bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 11 juli 2019, voor zover gewezen tussen Enexis en [appellante];
- veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Enexis tot op heden begroot op € 2.020,- aan griffierechten en € 2.148,- aan salaris advocaat.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.P.J. Ruijpers, H.J.M. Burg en A.A. Muilwijk-Schaaij en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 september 2020 in aanwezigheid van de griffier.