ECLI:NL:GHDHA:2020:1876
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake niet-ontvankelijkheid verzet tegen verstekvonnis koopgarantwoning en zelfbewoningsplicht
In deze zaak staat centraal het verzet van een erfpachter tegen een verstekvonnis waarin de erfpacht op een koopgarantwoning is beëindigd wegens niet-naleving van de zelfbewoningsplicht. De woningcorporatie Woonbron had de erfpacht opgezegd omdat de erfpachter de woning niet als hoofdverblijf bewoonde en deze niet te koop had aangeboden. De rechtbank had het verstekvonnis vernietigd en het verzet ontvankelijk verklaard, met een verwijzing naar schadestaatprocedure wegens onrechtmatige ontruiming.
Het hof oordeelt echter dat het verzet tegen de verklaring van waardeloosheid van het recht van erfpacht niet tijdig is ingesteld en dat het beroep op artikel 6 EVRM Pro niet slaagt. De erfpachter is daarom niet-ontvankelijk in zijn verzet en in de vordering in reconventie. Daarnaast heeft de erfpachter onvoldoende gemotiveerd betwist dat hij niet aan zijn zelfbewoningsplicht heeft voldaan, zodat Woonbron bevoegd was de erfpacht op te zeggen.
Het hof vernietigt het verzetvonnis, verklaart de erfpachter niet-ontvankelijk in zijn verzet en veroordeelt hem in de kosten van het hoger beroep. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en uitgesproken op 6 oktober 2020.
Uitkomst: Het hof verklaart de erfpachter niet-ontvankelijk in zijn verzet en veroordeelt hem in de kosten van het hoger beroep.