ECLI:NL:GHDHA:2020:2051
Gerechtshof Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen verlenging machtiging uithuisplaatsing minderjarige bij vader zonder gezag
De moeder kwam in hoger beroep tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van haar minderjarige kind bij de vader zonder gezag. De gecertificeerde instelling wijzigde haar verzoek in eerste aanleg en vroeg uiteindelijk alleen nog om een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. In hoger beroep stelde de gecertificeerde instelling dat terugplaatsing bij de moeder de beste optie is.
Het hof constateerde dat de kinderrechter ten onrechte de machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader had verlengd terwijl de gecertificeerde instelling dat verzoek had ingetrokken. De vader werkte niet mee aan hulpverlening, maar ontkende dit in hoger beroep. Het hof oordeelde dat het verzoek tot verlenging afgewezen moet worden en dat de minderjarige terugkeert naar de moeder.
Het hof benadrukte dat het belang van de minderjarige voorop staat en dat nader onderzoek noodzakelijk is naar de thuissituaties bij zowel de moeder als de vader, mede gezien het uitgesproken woonvoorkeur van de minderjarige om bij de vader te blijven. Omdat er geen verzoek meer ligt van de gecertificeerde instelling kan het hof zelf geen opdracht tot onderzoek geven. De beschikking van de rechtbank Rotterdam van 28 april 2020 werd vernietigd en het verzoek van de gecertificeerde instelling afgewezen.
Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader zonder gezag wordt vernietigd en het verzoek van de gecertificeerde instelling afgewezen, waardoor de minderjarige terugkeert naar de moeder.