ECLI:NL:GHDHA:2020:2084
Gerechtshof Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ouderlijk gezag na ernstige mishandeling en nalaten medische hulp
Het Gerechtshof Den Haag heeft op 4 november 2020 de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 17 maart 2020 bekrachtigd waarin het ouderlijk gezag over een minderjarige is beëindigd. De minderjarige, een baby, liep ernstig lichamelijk letsel op door mishandeling door de ouders, die tevens nalieten tijdig medische hulp in te schakelen. Hierdoor werd het gezag van beide ouders op grond van artikel 1:266 lid 1 sub b BW Pro beëindigd en werd een gecertificeerde instelling benoemd tot voogd.
De vader en moeder gingen in hoger beroep tegen de gezagsbeëindiging en stelden onder meer dat herstel van de ouder-kindrelatie mogelijk is en dat plaatsing bij grootouders in het buitenland onderzocht had moeten worden. Het hof oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat sprake was van misbruik van gezag, omdat de ouders hun verantwoordelijkheid ernstig hadden verzaakt door het letsel en het uitblijven van medische hulp. De aanvaardbare termijn voor herstel was verstreken en het belang van de minderjarige bij continuering van de stabiele pleegzorg woog zwaarder dan het belang van de ouders.
Het hof wees ook het verzoek af om de minderjarige bij grootouders te plaatsen en een omgangsregeling met de moeder te bepalen, omdat de huidige traumatische situatie en herstelproces van de minderjarige dit niet toelaten. Een deskundigenonderzoek naar omgangsmogelijkheden werd eveneens afgewezen wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag en het belang van de rust van het kind. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het ouderlijk gezag wegens misbruik van gezag en wijst verzoeken tot plaatsing bij grootouders en omgang af.