Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 17 november 2020
Stichting Woonstad Rotterdam,
[geïntimeerde] ,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
“(...) [betrokkene] verklaarde dat ze op het adres logeerde vanaf augustus 2018. De hoofdbewoonster is een vriendin die ze van vroeger kent. De hoofdbewoonster zou momenteel bij haar vriend in Blaricum verblijven en af en toe langskomen. Met deze man zou ze al jarenlang een relatie hebben. (...) Ze verklaarde voor een aantal maanden in Nederland te zijn. (...)”
“De dame verklaarde dat ze bij haar zus inwoont en dat haar zus de hoofdbewoonster is. (...) De dame (…) verklaarde dat ze vanaf het begin bij haar zus inwoont en dat dit ook bekend is bij de woningbouw. (...). Mevr. [zus van geïntimeerde] verklaarde dat de woning maar 1 slaapkamer heeft en dat ze eigenlijk op zoek is naar een andere woning. (...) Ze verklaarde dat ze op de bank slaapt. (...)”
“Wij wonen hier ongeveer 18 jaar. Op nummer [nummer] woont een dame van ongeveer 26 jaar. Zij is van Marokkaanse afkomt. Ze is er 4 jaar geleden komen wonen. Ze heeft er vanaf het begin niet gewoond. Er heeft eerst een verbouwing van een jaar plaatsgevonden. Daarna hebben er 8 maanden vrienden van haar gewoond. Ze woont op de […] . Ik zie daar altijd haar wagen staan. Volgens mij woont haar moeder daar. (…). Ik heb haar een paar weken geleden voor het laatst gezien. Ze kwam denk ik even de post halen. Wat opvalt is dat zij altijd hard met de deuren slaat. (…) Wij hebben het vermoeden dat er momenteel niemand in de woning zit. (…). Heel af en toe zien wij ’s avonds laat licht branden. (…)”
“Op nummer [nummer] zou een Marokkaans meisje moeten zitten, maar die zit er nooit. Ik heb haar nu ook al een tijdje niet meer gezien. Soms zit ze er voor een aantal dagen maar dan vertrekt ze weer. Ze komt alleen haar post halen. Ze zit ergens anders. Als ze er is slaat ze met haar deur. Dit is ongeveer 1 x per maand.”
“Ik woon hier sinds 2015. Ik heb de bewoonster van nummer [nummer] van 2015 tot nu in totaal 3 keer gezien. . (…) Ik heb het vermoeden dat niemand in de woning zit. Ik heb geen idee wanneer ik haar voor het laatst heb gezien. Dat zegt al genoeg. Ik ken de rest van de portiek. (…) De vrouw komt alleen de post ophalen.”
“(…) Ik ben vaak samen met [zus van geïntimeerde] thuis met haar zus of [zus van geïntimeerde] is bij mij. Wij sporten, eten vaak en doen leuke dingen samen, in het weekend of de avonden. Als [zus van geïntimeerde] en [geïntimeerde] op vakantie zijn dan laten ze hun huissleutels bij mij achter. Ik controleer dan hun post, ruim voor hun op als ze wat achter laten, doe ik boodschappen voor ze, een dag voor ze terugkomen en maak het huis voor hun schoon. (…). Ik weet niet anders dan dat [zus van geïntimeerde] en [geïntimeerde] op de [adres 1] wonen.”
“Ik verklaar hierbij dat [geïntimeerde] aan de [adres 1] te Rotterdam woont. (…) Ik kom af en toe bij haar over de vloer en zij past ook af en toe op mijn dochter bij haar thuis aan de [adres 1] . (…)”
“een zeer zware 6 maanden achter de rug heeft.”
grief 1voert Woonstad aan dat haar vordering door de kantonrechter onvolledig is samengevat. Woonstad voert aan dat zij zich niet alleen op verboden onderhuur heeft beroepen, maar ook op verboden ingebruikgeving. Het hof zal deze grondslag bij beoordeling van de vordering in aanmerking nemen, zodat deze grief verder onbesproken blijft.
Grief 2komt op tegen het oordeel van de kantonrechter dat Woonstad haar vordering niet voldoende heeft onderbouwd.
Grief 3is gericht tegen het feit dat de kantonrechter het bewijsaanbod van Woonstad niet heeft gehonoreerd. Met
grief 4voert Woonstad aan dat de bewijslast op grond van het bewijsbeding in artikel 6.6 van de algemene voorwaarden, op [geïntimeerde] rust.
welin de woning haar hoofdverblijf heeft, op [geïntimeerde] rust. Grief 4 faalt daarom, maar hierna zal blijken dat Woonstad bij die grief ook geen belang heeft.
Beslissing
opnieuw rechtdoende:
- ontbindt de tussen partijen gesloten huurovereenkomst voor de woning aan de [adres 1] te [plaatsnaam] ;
- veroordeelt [geïntimeerde] om binnen twee weken na betekening van dit arrest de woning aan de [adres 1] te [plaatsnaam] te ontruimen en te verlaten met alle zich daarin en/of daarop bevindende personen en/of zaken, voor zover deze laatste niet het eigendom van Woonstad zijn, en onder afgifte van alle sleutels ter vrije en algehele beschikking van Woonstad te stellen;
- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van Woonstad tot op 3 mei 2019 begroot op € 98,01 aan explootkosten, € 476,- aan griffierecht en € 480,- aan salaris advocaat;
- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Woonstad tot op heden begroot op € 741,- aan griffierecht, € 99,01 aan explootkosten en € 2.685,- aan salaris advocaat;
- wijst het meer of anders gevorderde af;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.