Uitspraak
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
4.De omvang van het geschil
5.De motivering van de beslissing
.
Gerechtshof Den Haag
In deze zaak staat de verdeling van de huwelijksgemeenschap na echtscheiding centraal, waarbij de vraag is of de vrouw aan de man een bedrag aan goodwill moet voldoen. De vrouw exploiteert een eenmanszaak waarvan de winst volledig afhankelijk is van haar persoonlijke capaciteiten. Het hof maakt een onderscheid tussen persoonlijke en zakelijke goodwill en concludeert dat er geen zakelijke goodwill is omdat de onderneming niet zelfstandig waarde vertegenwoordigt zonder de vrouw.
De rechtbank had eerder de echtscheiding uitgesproken en de verdeling van onroerende zaken, inboedel en activa vastgesteld, waarbij onder meer een gebruiksvergoeding voor de woning werd bepaald. De man kwam in hoger beroep tegen enkele onderdelen, waaronder de waardering van de goodwill en de benoeming van een deskundige. Het hof wijst het bewijsaanbod van de man af en bevestigt dat de onderneming geen zelfstandige goodwill heeft.
Daarnaast behandelt het hof vorderingen over betaalde inkomstenbelasting, bankrekeningen, gebruiksvergoeding, aflossingen op de hypotheek en toeristenbelasting. De man wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag wegens overbedeling. Het hof compenseert de proceskosten en wijst het meer of anders verzochte af.
Uitkomst: Het hof oordeelt dat er geen zakelijke goodwill is en veroordeelt de man tot betaling van € 35.089,69 aan de vrouw wegens overbedeling.