De pleegouders zijn in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de kinderrechter Rotterdam die de gecertificeerde instelling (GI) toestemming gaf om het verblijf van de minderjarige te wijzigen naar een neutraal pleeggezin. De kinderrechter had deze toestemming gegeven op grond van een spoedprocedure ex artikel 800, lid 3, Rv, analoog toegepast op artikel 1:336a BW.
De pleegouders voerden aan dat deze toepassing onjuist was en in strijd met essentiële rechtsbeginselen zoals hoor en wederhoor en rechtszekerheid. De GI betwistte dit en stelde dat de spoedprocedure ook bij voogdijtoestanden toepasbaar is. Het hof oordeelde dat artikel 800, lid 3, Rv niet analoog kan worden toegepast op artikel 1:336a BW, omdat het toetsingskader en de rechten van pleegouders verschillen van die bij ondertoezichtstelling.
Het hof stelde vast dat de kinderrechter buiten het toepassingsgebied van artikel 800, lid 3, Rv was getreden door de spoedbeschikking te geven. Ook was onvoldoende spoedeisendheid aangetoond, aangezien de minderjarige niet bij de pleegouders verbleef maar bij een tante. Daarom vernietigde het hof de beschikking en wees het verzoek van de GI af.