Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2020:2351

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
21 oktober 2020
Publicatiedatum
9 december 2020
Zaaknummer
K19/220338
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 SvArt. 273f SrArt. 197a SrArt. 197b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beklag niet vervolging mensenhandel arbeidsuitbuiting massagesalon

Klaagster deed aangifte van mensenhandel door arbeidsuitbuiting in een massagesalon, waarbij zij stelde dat zij werd uitgebuit door laag loon, beperkte werktijd en haar illegale verblijfsstatus. De officier van justitie besloot tot niet vervolging wegens mensenhandel, maar vervolgde wel wegens mensensmokkel.

Het hof heeft het beklag tegen deze beslissing behandeld en beoordeelde de vraag of sprake was van uitbuiting aan de hand van vaste criteria uit de rechtspraak van de Hoge Raad. Gelet op het aantal gewerkte uren (2 à 3 per avond), het uurloon van 14 euro en het feit dat klaagster een netwerk had om op terug te vallen, concludeerde het hof dat er onvoldoende aanwijzingen waren voor uitbuiting.

Daarnaast bevestigden getuigen en beklaagde het werken en huisvesten van illegalen, wat duidt op overtreding van andere strafbepalingen (mensensmokkel). Het hof wees het beklag af en bevestigde daarmee de beslissing van de officier van justitie.

Uitkomst: Het hof wijst het beklag af en bevestigt het niet vervolgen wegens mensenhandel wegens onvoldoende bewijs van uitbuiting.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
raadkamer beklagzaken
BESCHIKKING
gegeven op het beklag, op grond van artikel 12 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), ingediend door:
[Klaagster],
klaagster,
in deze zaak woonplaats kiezende ten kantore van haar raadsman mr. U.H. Hansma, advocaat te Groningen.

1.Het beklag

Het klaagschrift is op 4 juli 2019 door het hof ontvangen. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie bij het Functioneel Parket te
’s-Hertogenbosch van 5 april 2019 om [
beklaagde]
,beklaagde, niet te vervolgen ter zake van mensenhandel.

2.Het verslag van de advocaat-generaal

In het schriftelijke verslag van 16 september 2019 heeft de advocaat-generaal het hof geadviseerd het beklag af te wijzen.

3.De stukken betreffende het beklag

Het hof heeft, behalve van de reeds genoemde stukken, onder meer kennisgenomen van de in deze zaak door de politie opgemaakte processen-verbaal, het ambtsbericht van de waarnemend hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket te Amsterdam van 7 augustus 2019, de brief d.d. 14 november 2019 van de raadsman van klaagster inhoudende een reactie op het advies van het Openbaar Ministerie en voorts als bijlage een brief van twee hulpverleners van het Leger des Heils en tot slot een
e-mailbericht van klaagsters raadsman van 1 september 2020, inhoudende de mededeling dat de raadsman wegens aan Corona gerelateerde klachten niet ter zitting in raadkamer van 2 september 2020 zal verschijnen en het verzoek de zaak op digitale wijze af te doen, dan wel de behandeling van de zaak aan te houden.

4.De feiten en standpunten

Klaagster heeft op 15 en 17 mei 2019 bij de politie tegen beklaagde, de eigenaar van een massagesalon in [stad], aangifte gedaan ter zake van mensenhandel in de vorm van arbeidsuitbuiting (strafbaar gesteld in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr)).
Klaagster stelt dat zij slachtoffer is geweest van mensenhandel, omdat zij is uitgebuit in de massagesalon van beklaagde, in de periode september 2014 - juli/augustus 2015 en gedurende enkele maanden in 2016.
Voor de weergave van de feiten verwijst het hof kortheidshalve naar het dossier.
De officier van justitie heeft geoordeeld dat uit het ingestelde onderzoek is gebleken dat klaagster in de massagesalon van beklaagde heeft gewerkt en dat dit in casu mensensmokkel oplevert in de zin van artikel 197a Sr, maar dat geen sprake is van mensenhandel zoals bedoeld in artikel 273f Sr. Het strafrechtelijk onderzoek naar mensenhandel is op 9 oktober 2018 beëindigd. Beklaagde wordt wel vervolgd ter zake van mensensmokkel.
De raadsman van klaagster stelt zich in het klaagschrift op het standpunt dat relevante aanknopingspunten niet zijn onderzocht en dat ten onrechte is afgezien van vervolging wegens mensenhandel. Klaagster stelt zich op het standpunt dat de uitbuiting onder meer is gelegen in het betalen van een relatief laag loon waarbij zij voor een paar uur werken de hele dag beschikbaar moest zijn, het niet afdragen van loonbelasting en premies volksverzekeringen en het misbruik maken van haar ongunstige economische en illegale verblijfsrechtelijke positie.
Klaagster verzoekt te bevelen dat de verlangde nadere opsporing en/of vervolging wordt ingesteld dan wel voortgezet ter zake van de feiten waarop het beklag betrekking heeft.

5.De behandeling van het klaagschrift

De meervoudige beklagkamer heeft het klaagschrift op
2 september 2020 in raadkamer behandeld.
Klaagster en haar raadsman zijn niet in persoon verschenen.
Het hof heeft de zaak - met instemming van de advocaat-generaal en de raadsman van klaagster - telefonisch in raadkamer behandeld. Daartoe is door de griffier telefonisch contact met de raadsman gezocht, waarna de zaak in aanwezigheid van de leden van het hof, de advocaat-generaal, een stagiaire van het Openbaar Ministerie en de griffier via een telefonische verbinding met de raadsman van klaagster is behandeld.
De raadsman heeft het klaagschrift toegelicht en het daarin ingenomen standpunt met betrekking tot het feit van mensenhandel gehandhaafd. Kort samengevat heeft de raadsman aangevoerd dat klaagster destijds illegaal in Nederland was en kwetsbaar was en dat beklaagde hiervan misbruik heeft gemaakt. Beklaagde is niet opgeroepen.
De advocaat-generaal mr. L.H.M. Jager-Huiskens heeft in raadkamer - overeenkomstig het eerdere schriftelijke verslag - het hof geadviseerd het beklag af te wijzen.

6.De beoordeling van het beklag

Na bestudering van de stukken in het dossier is het hof van oordeel dat de officier van justitie op goede gronden heeft besloten beklaagde niet te vervolgen ter zake van mensenhandel.
Bij zaken waarin de vraag moet worden beantwoord of sprake is geweest van (arbeids)uitbuiting, stelt de Hoge Raad voorop dat de vraag of - en zo ja, wanneer - sprake is van uitbuiting in de zin van art. 273f, eerste lid, Sr niet in algemene termen is te beantwoorden, maar sterk verweven is met de omstandigheden van het geval. Aan de hand van enkele door de Hoge Raad genoemde en andere relevante factoren dient de rechter vast te stellen of de feiten en omstandigheden als uitbuiting kunnen worden bewezen verklaard. Bij de beantwoording van die vraag komt onder meer betekenis toe aan de aard en de duur van de tewerkstelling of de te verrichten activiteit, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de verdachte wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd. Hierbij geldt in geval van minderjarige slachtoffers dat de beoordeling van dergelijke factoren tot een andere uitkomst kan leiden dan in het geval het slachtoffer meerderjarig is.
Gelet op het door klaagster aangegeven dagelijkse aantal door haar gewerkte uren (twee à drie uren), de tijdstippen waarop zij beschikbaar diende te zijn voor de werkzaamheden (in de avonduren) en in het bijzonder het bedrag dat zij voor haar werkzaamheden kreeg uitbetaald (14 euro per uur), ziet het hof onvoldoende aanwijzingen dat sprake is geweest van uitbuiting van klaagster als bedoeld in artikel 273f Sr. De omstandigheid dat klaagster illegaal in Nederland verbleef, maakt dat in dit specifieke geval niet anders. Het hof heeft hierbij mede gelet op de omstandigheid dat klaagster kennelijk een netwerk had waar zij terecht kon, toen ze besloot niet voor beklaagde te blijven werken. Op enig moment heeft klaagster op eigen initiatief besloten om weer terug te keren naar beklaagde. De zestien gehoorde getuigen hebben evenmin kunnen bijdragen aan een nadere bevestiging van de aangifte.
In het klaagschrift en de aanvulling daarop bij brief van 14 november 2019 wordt uitgebreid gewezen op het werken en huisvesten van illegalen, hetgeen door getuigen en beklaagde wordt bevestigd. Het hof is van oordeel dat dit wijst op overtreding van de strafbaarstellingen van artikel 197a Sr en art. 197b Sr ter zake waarvan beklaagde - blijkens de adviezen van het Openbaar Ministerie - zal worden vervolgd.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beklag dient te worden afgewezen.

7.De beslissing

Het hof:
Wijst het beklag af.
Deze beschikking, waartegen geen gewoon rechtsmiddel openstaat, is gegeven op 21 oktober 2020 door
mr. T.E. van der Spoel, voorzitter, mr. M.I. Veldt-Foglia en mr. P.J. van der Flier, leden, in tegenwoordigheid van
mr. C.W. Kuiper-van den Haak, griffier, en is ondertekend door de voorzitter en de griffier.