ECLI:NL:GHDHA:2020:2411
Gerechtshof Den Haag
- Beschikking
- P.B. Kamminga
- A.A.F. Donders
- K.T.J.M. Pijls-olde Scheper
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep echtscheiding en hoofdverblijfplaats minderjarige bij vrouw op basis van verklaring onder ede
De vrouw verzocht bij de rechtbank om echtscheiding en toewijzing van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij haar, maar het verzoek werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs van het huwelijk. De vrouw had geen huwelijksakte kunnen overleggen, maar stelde dat het huwelijk was geregistreerd op basis van een verklaring onder ede (VOE) volgens artikel 2.8 lid 2 Wet BRP.
In hoger beroep overwoog het hof dat de wetgever bewust heeft gekozen voor de mogelijkheid om het rechtsfeit van een buitenlands huwelijk te baseren op een VOE, ook als geen huwelijksakte kan worden overgelegd. Het hof accepteerde de VOE als voldoende bewijs voor het bestaan van het huwelijk, mede omdat het anders onmogelijk zou zijn te scheiden als alleen de VOE als bron beschikbaar is.
Hoewel de huwelijksakte later door de IND als vals werd bestempeld, deed dit niet af aan de geldigheid van de VOE als basis voor registratie in de BRP. Het hof stelde vast dat het huwelijk duurzaam ontwricht was en dat de biologische vader van de minderjarige niet de man was. Daarom werd de echtscheiding uitgesproken en de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw vastgesteld.
Het hof vernietigde de bestreden beschikking en wees het verzoek tot echtscheiding en hoofdverblijfplaats toe, waarbij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad werd verklaard.
Uitkomst: Het hof spreekt de echtscheiding uit en bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw is.