De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 743 XTC-pillen (MDMA) in een woning te Doorn. In hoger beroep heeft het hof het vonnis vernietigd en de verdachte vrijgesproken. Het hof oordeelde dat niet voldoende vaststaat dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de XTC-pillen in de woning van zijn medeverdachte.
Hoewel de verdachte toegang had tot de woning en daar meerdere dagen verbleef, hadden ook anderen toegang en waren er geen technische sporen die zijn betrokkenheid bij de drugs aantoonden. De pillen lagen deels niet in het zicht en het hof vond het te ver gaan om te concluderen dat de verdachte ze onvermijdelijk moest hebben gezien.
Het hof benadrukte dat voor een bewezenverklaring vereist is dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de pillen of bewust de aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard, en dat de verdachte beschikkingsmacht over de pillen had. Omdat dit niet kon worden vastgesteld, sprak het hof de verdachte vrij. Tevens verwierp het hof de omkering van de bewijslast die de rechtbank had toegepast.
De uitspraak werd gedaan door het Gerechtshof Den Haag op 16 december 2020. De advocaat-generaal had gevorderd tot veroordeling, maar het hof volgde dit niet. De verdachte blijft vrijgesproken van het tenlastegelegde.