Op 8 februari 2019 werd het slachtoffer in de hal van een woning te Rotterdam met een vuurwapen in de buik geschoten. Verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor poging tot doodslag. Het hof acht bewezen dat verdachte het gebruikte vuurwapen in bezit had tijdens het incident en dat hij als de schutter kan worden aangemerkt op basis van gelijkenis met camerabeelden en het bezit van het wapen.
De herkenning door het slachtoffer via een enkelvoudige fotoconfrontatie werd als onbetrouwbaar beoordeeld vanwege onzorgvuldige procedure en het feit dat het slachtoffer de verdachte niet kende. Herkenningen door twee verbalisanten berustten op fotovergelijkingen en werden niet als bewijs gebruikt. Het hof baseerde zich op eigen waarneming en het feit dat het wapen bij verdachte werd aangetroffen.
Verdachte voerde aan dat het wapen pas na het incident was verkregen en dat het schot per ongeluk was gelost, maar dit werd door het hof verworpen. De ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het werd gepleegd en de persoonlijke omstandigheden van verdachte leidden tot een gevangenisstraf van zes jaar. De benadeelde partij kreeg een schadevergoeding toegewezen van in totaal €15.840,00, bestaande uit materiële en immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente.