De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis, wegens het medeplegen van zware mishandeling van het slachtoffer op 2 november 2016 in Dordrecht. In hoger beroep heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd en het primair tenlastegelegde bewezen verklaard: de verdachte heeft samen met een ander het slachtoffer meermalen met kracht tegen hoofd en gezicht geschopt en getrapt, waardoor het slachtoffer ernstige verwondingen opliep, waaronder een gebroken oogkas en kaakholte.
Het bewijs bestond uit verklaringen van het slachtoffer, getuigen en de verdachte zelf, waarbij het hof de verklaringen van het slachtoffer en getuigen geloofwaardig achtte en de ontkennende verklaringen van de verdachte en medeverdachte verwierp. Het hof verwierp ook het verweer dat een verklaring van de verdachte zonder cautie en rechtsbijstand moest worden uitgesloten.
De strafmotivering benadrukte de ernst van het geweld, de grove inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en de maatschappelijke onveiligheid die hierdoor werd veroorzaakt. Gezien eerdere veroordelingen van de verdachte en de ernst van het feit legde het hof een taakstraf van 240 uur op, gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, waarbij de gevangenisstraf niet ten uitvoer wordt gelegd tenzij de verdachte binnen twee jaar een nieuw strafbaar feit pleegt.
Het arrest is gewezen door mr. D.M. Thierry, mr. R.J. de Bruijn en mr. Y.J. Wijnnobel - van Erp en uitgesproken op 20 oktober 2020.