ECLI:NL:GHDHA:2020:375
Gerechtshof Den Haag
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Bevestiging kinderalimentatie en draagkracht bij IB-ondernemer zonder voldoende financiële onderbouwing
Het gerechtshof Den Haag behandelde het hoger beroep van een man tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam inzake kinderalimentatie voor twee minderjarige kinderen. De man, werkzaam als ZZP’er in de bouw, voerde aan dat de behoefte van de kinderen te hoog was vastgesteld en dat hij onvoldoende draagkracht had vanwege een schuld bij de Rabobank. Hij bracht echter geen recente financiële gegevens in het geding, waaronder zijn aangifte omzetbelasting en een onderbouwing van zijn ondernemingskosten.
De vrouw woont met de kinderen in Groot-Brittannië en heeft een laag inkomen. Het hof stelde vast dat de Nederlandse rechter bevoegd was en Nederlands recht van toepassing was op de alimentatievraag. Het hof vond de door de vrouw gestelde behoefte van de kinderen redelijk gelet op het gezinsinkomen tijdens het huwelijk.
Omdat de man zijn stellingen onvoldoende onderbouwde en geen inzicht gaf in zijn inkomsten en schulden, kon het hof zijn draagkracht niet vaststellen. De vrouw gaf wel inzicht in haar inkomen, waaruit bleek dat zij weinig draagkracht heeft. Daarom werd de bestreden beschikking bekrachtigd en het verzoek van de man afgewezen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de kinderalimentatiebeschikking en wijst het beroep van de man af wegens onvoldoende onderbouwing.