ECLI:NL:GHDHA:2020:425

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
6 maart 2020
Publicatiedatum
9 maart 2020
Zaaknummer
22-003494-19
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 Sr
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak bedreiging met misdrijf tegen het leven wegens ontbreken redelijke vrees

In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht, gepleegd door een medewerkster van de gemeente Den Haag telefonisch te bedreigen met woorden die verwezen naar een recente schietpartij in Utrecht. De rechtbank had de verdachte veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf, maar het hof kwam tot een andere beoordeling.

Tijdens het hoger beroep heeft het hof het bewijs en de omstandigheden van het telefoongesprek onderzocht, waarbij werd vastgesteld dat slechts drie personen op de hoogte waren van de bedreigende uitlatingen: de medewerkster zelf, een collega van haar en de persoon die namens de gemeente aangifte deed. Het hof heeft geoordeeld dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat bij één of meer van deze personen de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zouden verliezen of zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen.

Het hof overwoog dat hoewel de bedreiging mogelijk de algemene veiligheid in gevaar had kunnen brengen, dit niet aan de verdachte ten laste was gelegd en dus buiten beschouwing bleef. Gezien het ontbreken van voldoende bewijs heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd en de verdachte vrijgesproken van de tenlastelegging.

De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van het gerechtshof Den Haag op 6 maart 2020, waarbij één rechter buiten staat was het arrest te ondertekenen.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken wegens ontbreken van redelijke vrees voor het leven of zwaar letsel bij bedreigde personen.

Uitspraak

Rolnummer: 22-003494-19
Parketnummer: 09-842088-19
Datum uitspraak: 6 maart 2020
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 15 juli 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1982,
[adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op
21 februari 2020.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het hem ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met aftrek van voorarrest.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 20 maart 2019 te 's-Gravenhage althans in Nederland medewerkers van de gemeente Den Haag en/of andere personen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een medewerkster van de gemeente Den Haag te bellen en te zeggen: "Dan denk ik bij mijzelf, weet je wat dat ik doe, dat ik mensen ga vermoorden, net als die mensen in Utrecht ofzo" (refererend naar de schietpartij op het 24 Oktoberplein in Utrecht op 18 maart 2019 waarbij meerdere mensen zijn overleden en meerdere mensen (ernstig) gewond zijn geraakt), althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraak
De verdachte wordt verweten dat hij medewerkers van de gemeente Den Haag en/of andere personen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door tijdens een telefoongesprek dat hij voerde met een medewerkster van de gemeente Den Haag de in de tenlastelegging genoemde woorden, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, uit te spreken.
Het hof overweegt dat volgens vaste jurisprudentie voor een veroordeling ter zake van bedreiging onder meer is vereist dat de bedreigde(n) daadwerkelijk van de bedreiging op de hoogte is/zijn geraakt en dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde(n) de redelijke vrees kon ontstaan dat – gegeven hetgeen aan de verdachte ten laste is gelegd - hij/zij het leven zou(den) kunnen verliezen dan wel zwaar lichamelijk letsel zou(den) kunnen oplopen.
Uit de processtukken en het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat hoogstens drie personen bekend zijn geworden met het feit dat de verdachte – zoals door hem ook is bekend – de gewraakte bewoordingen heeft geuit, te weten de medewerkster van de gemeente Den Haag, [betrokkene 1], met wie de verdachte bedoeld telefoongesprek voerde, alsmede – afgaande althans op het proces-verbaal waarin de inhoud van dat gesprek is neergelegd: de betreffende passage was niet op het tijdens de terechtzitting in hoger beroep beluisterde geluidsfragment te horen – een collega van [betrokkene 1], genaamd [betrokkene 2], met wie [betrokkene 1], terwijl de verdachte “in de wacht stond”, contact had en degene die namens de gemeente Den Haag aangifte heeft gedaan.
Het hof acht, gelet op de processtukken en het onderzoek ter terechtzitting, niet wettig en overtuigend bewezen dat bij één of meer van vorenbedoelde drie personen de redelijke vrees kon ontstaan dat hij/zij het leven zou(den) kunnen verliezen dan wel zwaar lichamelijk letsel zou(den) kunnen oplopen.
Het antwoord op de vraag of de bedreiging van zodanige aard was en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij één of meer van hen wèl de redelijke vrees kon ontstaan dat de verdachte een misdrijf zou gaan plegen waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen zou ontstaan – zoals eveneens voorzien in en strafbaar gesteld bij artikel 285 van Pro het Wetboek van Strafrecht – kan in het midden blijven, aangezien dat niet aan de verdachte ten laste is gelegd.
Het vorenstaande leidt het hof tot de conclusie dat de verdachte van het ten laste gelegde behoort te worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door mr. L.A.J.M. van Dijk,
mr. H.M.D. de Jong en mr. A.M. Zwaneveld,
in bijzijn van de griffier mr. C.M. Jellema.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 6 maart 2020.
mr. A.M. Zwaneveld is buiten staat dit arrest te ondertekenen.