ECLI:NL:GHDHA:2020:768
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verdachte niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens ontbreken grieven en gemachtigde
In deze strafzaak heeft het gerechtshof Den Haag op 9 maart 2020 uitspraak gedaan over het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 10 juli 2019. De verdachte, die niet ter terechtzitting in hoger beroep verscheen, had geen schriftelijke grieven tegen het vonnis ingediend en ook mondeling geen bezwaren geuit. Tevens was de raadsman niet uitdrukkelijk gemachtigd om de verdediging te voeren.
De advocaat-generaal vorderde daarom dat de verdachte niet-ontvankelijk zou worden verklaard in het hoger beroep. Het hof zag ambtshalve geen redenen om de zaak inhoudelijk te behandelen en baseerde zich op artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Het hof verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag, waarbij twee rechters verhinderd waren het arrest mede te ondertekenen.
Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het ontbreken van grieven en een gemachtigde.