ECLI:NL:GHDHA:2020:779
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs mishandeling in hoger beroep
In deze strafzaak stond verdachte terecht voor mishandeling van twee aangevers in Rotterdam op of omstreeks 14 februari 2018. De politierechter had verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 60 uur, subsidiair 30 dagen hechtenis. Tegen dit vonnis stelde verdachte hoger beroep in bij het gerechtshof Den Haag.
Tijdens de terechtzitting in hoger beroep op 10 maart 2020 heeft het hof het dossier en de vordering van de advocaat-generaal bestudeerd. De advocaat-generaal verzocht om vernietiging van het vonnis en vrijspraak van verdachte wegens onvoldoende bewijs. Het hof kon zich niet verenigen met het vonnis van de politierechter.
Het hof oordeelde dat niet wettig en overtuigend bewezen kon worden dat verdachte de mishandeling had gepleegd zoals ten laste gelegd, waaronder het stompen, slaan, schoppen en slaan met een metalen deurstopper. Daarom vernietigde het hof het vonnis en sprak verdachte vrij van de ten laste gelegde feiten.
Deze uitspraak bevestigt het belang van een strenge bewijsstandaard in strafzaken en dat bij twijfel de verdachte vrijgesproken moet worden. Het arrest werd gewezen door drie rechters en uitgesproken op 10 maart 2020.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van mishandeling.