Uitspraak
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
4.De omvang van het geschil
primairde echtelijke woning bij uitsluiting van de man bewoont, te weten met ingang van 20 oktober 2018,
subsidiair, met ingang van de datum van indiening van de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding omdat de gemeenschap van goederen tussen partijen per deze datum is ontbonden, derhalve per 3 december 2018 dan wel
meer subsidiairde datum waarop de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de daarvoor bestemde registers van de burgerlijke stand tot aan de dag waarop het voortgezet gebruik van de woning door de vrouw met uitsluiting van de man eindigt, te weten per 1 februari 2020, of zoveel later en daarmee uiterlijk op de dag waarop de woning door de man in eigendom wordt overgenomen op grond van artikel 3:169 juncto Pro 1:165 BW, een gebruiksvergoeding aan de man dient te voldoen waarbij ten aanzien van de hoogte van deze gebruiksvergoeding geldt dat deze wordt vastgesteld op 2,5% per jaar van de helft van de overwaarde bij overname van het aandeel van de vrouw door de man, zijnde 2,5% van de helft van de taxatiewaarde, verminderd met de hypothecaire geldlening en de bijkomende kosten en verder te bepalen dat dit bedrag op de dag van levering wordt vastgesteld door de notaris, waarna het wordt omgerekend naar de hiervoor gelijke periode gelijk aan het voortgezet gebruik door de vrouw van de woning, waarna dit berekende bedrag in mindering strekt op het aan de vrouw toekomende deel van de netto-opbrengst en het aan de man toekomende deel hiermee wordt verhoogd, dan wel een door de vrouw aan de man te betalen gebruiksvergoeding vast te stellen die uw gerechtshof in goede justitie juist acht.