Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
beschikking van 28 april 2020
[naam] ,
Stichting Rivierduinen,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
50) en gaf zij uitvoering aan het beleid zoals vastgelegd door de directie binnen de kaders van het Rivierduinenbeleid, en wel zodanig dat doelstellingen ten aanzien van patiëntenzorg en bedrijfsvoering werden gerealiseerd. De hoofdtaken binnen deze functie waren gericht op de verantwoordelijkheid voor zorg en bedrijfsvoering en de verantwoordelijkheid voor het
In de regeling is voorts vermeld dat het beoordelingsgesprek conform CAO een gesprek is met een eenzijdig karakter waarbij de leidinggevende de functie-uitoefening van de werknemer beoordeelt. De leidinggevende beoordeelt de functie- uitoefening van de werknemer over een periode van ten hoogste de laatste twee jaar met behulp van het beoordelingsformulier. De beoordeling dient schriftelijk te worden onderbouwd, en wordt door de beoordelaar in een gesprek, waarvoor de werknemer ten minste twee weken tevoren schriftelijk wordt uitgenodigd, uitgesproken en toegelicht. Bij een onvoldoende beoordeling van het functioneren, volgt een verbetertraject. Van het beoordelingsgesprek wordt een verslag opgemaakt. De werknemer kan bezwaar aantekenen tegen de uitgebrachte beoordeling.
“dat het misschien eens tijd werd voor een andere leiderschapsstijl”, of woorden van gelijke strekking. Van het gesprek is geen verslag opgemaakt. Na het gesprek is [verzoekster] met vakantie gegaan.
a) beëindiging van het dienstverband met wederzijds goedvinden vanwege de verschillen van inzicht die er zijn over de invulling van de functie van Manager Algemene Zaken; en
b) voortzetting van het dienstverband in aangepaste vorm, waarbij is vermeld dat dit concreet betekent dat [verzoekster] niet als Manager Algemene Zaken van Movens blijft werken maar een andere rol met andere taken krijgt.
voordat het vervolggesprek is. Mocht bedrijfsmaatschappelijk werk niet binnen 2 weken kunnen starten dan wel het gesprek eerder houden.”
“In ons gesprek van vanmiddag gaf je aan geen vertrouwen meer te hebben in GGZ Rivierduinen en werken bij GGZ Rivierduinen en dat je geen verbetertraject wil, maar kiest voor beëindiging. Op mijn vraag of jij je advocaat dat zou laten weten, vroeg je of ik dat via de GGZ Rivierduinen advocaat wilde doen.”Direct daarop heeft [verzoekster] terug gemaild aan [de directeur] dat de weergave van het gesprek door [de directeur] niet juist is.
“Cliënte stelt vast dat we er zo niet uitkomen, hetgeen in haar visie prima is. Uw cliënte werkt op dit moment aan haar re-integratie bij een andere leidinggevende en zal langzaam opschakelen. Daarna zal ze op enig moment haar eigen werkzaamheden weer gaan vervullen, met dien verstande dat tegelijkertijd het verbetertraject weer gaat lopen. (…) Cliënte zal dit traject naar eer en geweten vormgeven en staat open voor alle mogelijke opties die er toe kunnen bijdragen dat het functioneren van uw cliënte verbetert.”
heeft gemotiveerd verweer gevoerd, en primair wedertewerkstelling verzocht, alsmede subsidiair: veroordeling van Rivierduinen tot betaling van een billijke vergoeding van € 295.881,75 en een transitievergoeding van € 72.165.00 bruto, alsmede tot het opmaken van een correcte eindafrekening en vergoeding van de door [verzoekster] gemaakte kosten van rechtsbijstand van € 13.500,-.
De kantonrechter heeft in haar vonnis van 13 maart 2019 de arbeidsovereenkomst per 1 mei 2019 ontbonden, en Rivierduinen veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding en tot het opmaken van een correcte eindafrekening. De overige (tegen)verzoeken van [verzoekster] zijn afgewezen.
De kantonrechter heeft het verzoek om Rivierduinen te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding aan [verzoekster] ten onrechte afgewezen."en (met name) de toelichting op grond IV. Dat [verzoekster] in het petitum in hoger beroep als grondslag voor haar aanspraak op een billijke vergoeding (uitsluitend) artikel 7:683 BW Pro en niet ook artikel 7:671b lid 8 onder c BW heeft vermeld, maakt daarom nog niet dat Rivierduinen mocht begrijpen dat het [verzoekster] alleen om een billijke vergoeding op de voet van artikel 7:683 BW Pro te doen was. Rivierduinen heeft dit gelet op de inhoud van haar verweerschrift (zie onder meer onder 5:
"In de kern gaat het in de hoger beroepsprocedure enkel om de vraag of [verzoekster] recht heeft op een billijke vergoeding en zo ja hoe hoog die dan moet zijn"en haar conclusie onder 16:
"Voorop gesteld moet worden dat voor toekenning van een billijke vergoeding aan de werknemer is vereist dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever (artikel 7:671b lid 8 onder c BW)") en haar verweer bij de mondelinge behandeling, ook onderkend en heeft hier ook op gerespondeerd. De stelling van Rivierduinen dat het verzoek van [verzoekster] tot toekenning van een billijke vergoeding moet worden afgewezen omdat [verzoekster] dit (uitsluitend) heeft gegrond op artikel 7:683 lid 3 BW Pro en niet op artikel 7:671b lid 8 onder c BW, wordt daarom verworpen. Het hof vat het niet tevens noemen van artikel 7:671b lid 8 onder c BW in het petitum van het beroepschrift op als een kennelijke (en voor Rivierduinen kenbare) vergissing.
De arbeidsovereenkomst tussen Rivierduinen en [verzoekster] is ontbonden per 1 mei 2019. [verzoekster] was toen bijna 13 jaar in dienst van Rivierduinen, en op dat moment 63 jaar oud. [verzoekster] heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep aangegeven dat zij zich volop inzet om een vergelijkbare baan met vergelijkbare arbeidsomstandigheden te vinden, maar dat dit niet lukt. Werkgevers zijn gelet op haar leeftijd niet bereid om nog in haar te investeren. Het hof acht dit voldoende aannemelijk. Het verweer van Rivierduinen dat er volop vraag is naar zorgmedewerkers, met name met een achtergrond in de geestelijke gezondheidszorg, is te algemeen en houdt onvoldoende rekening met de leeftijd van [verzoekster] en met het soort functie dat zij vervulde, namelijk een managementfunctie. Het hof gaat er daarom van uit dat [verzoekster] geen reële kans heeft op het vinden van ander (vergelijkbaar) werk voorafgaande aan haar pensioendatum. Uitgaande van de geboortedatum van [verzoekster] , namelijk 14 maart 1956, zal zij volgens de huidige gegevens (rekening houdend met het pensioenakkoord uit 2019) op 14 oktober 2022 de AOW-gerechtigde leeftijd bereiken.
Beslissing
opnieuw rechtdoende:
- veroordeelt Rivierduinen tot betaling aan [verzoekster] van een billijke vergoeding van € 55.000,- bruto;
- veroordeelt Rivierduinen in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [verzoekster] tot op 13 maart 2019 begroot op € 600,- aan salaris gemachtigde;
- bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter voor het overige;
- veroordeelt Rivierduinen in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [verzoekster] tot op heden begroot op € 1.684,- aan griffierecht, € 3.918,- aan salaris voor de advocaat (2 punten tarief IV) en op € 157,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 82,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan deze beschikking is voldaan en vervolgens betekening van deze beschikking heeft plaatsgevonden;