ECLI:NL:GHDHA:2020:885

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
1 mei 2020
Publicatiedatum
4 mei 2020
Zaaknummer
BK-19/00781 en BK-19/00782
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Verordening parkeerbelastingen 2019 gemeenteArt. 24 lid 4 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging naheffingsaanslagen parkeerbelasting ondanks stelling Mulder-feit

Belanghebbende kreeg naheffingsaanslagen opgelegd voor het parkeren van zijn auto op 23 en 24 augustus 2019 op een vergunninghoudersplaats in de gemeente. Hij stelde dat zijn auto met twee wielen op het trottoir stond, waardoor geen sprake was van een fiscale parkeerplaats maar van een Mulder-feit. De Rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en oordeelde dat de auto vrijwel geheel in een parkeervak stond en dat parkeren zonder vergunning of dagkaart parkeerbelastingplichtig is.

In hoger beroep bevestigde het Gerechtshof deze uitspraak. Het hof overwoog dat de argumenten van belanghebbende, waaronder de stelling dat parkeren op een vergunninghoudersplaats zonder vergunning een Mulder-feit is, niet slaagden. De auto stond op een door het college aangewezen parkeerplaats waar parkeren tegen betaling is toegestaan. Er was geen sprake van parkeren op een voetpad of groenstrook.

De mondelinge behandeling ging vanwege de coronacrisis niet door, waarna partijen instemden met schriftelijke afdoening. Het hof vond dat de stukken voldoende waren om te oordelen dat de naheffingsaanslagen terecht waren opgelegd en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat de naheffingsaanslagen parkeerbelasting terecht zijn opgelegd en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummers BK-19/00781 en BK-19/00782

Uitspraak van 1 mei 2020

in het geding tussen:
[X]te [Z] , belanghebbende,
en

de heffingsambtenaar van de gemeente [B] , de Heffingsambtenaar,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 9 december 2019, nummers SGR 19/5690 en SGR 19/5892.

Overwegingen

1. Belanghebbende zijn voor het op 23 en 24 augustus 2019 parkeren van zijn auto naheffingsaanslagen in de parkeerbelastingen van de gemeente [B] opgelegd. Bij uitspraken op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar de naheffingsaanslagen gehandhaafd.
2. Tegen de uitspraken van de Heffingsambtenaar heeft belanghebbende beroep bij de Rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 47 is geheven. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.
3. Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 128 is geheven. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
4. De voor 17 april 2020 geplande mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft in verband met de coronacrisis geen doorgang gevonden. Bij e-mail van 24 april 2020 heeft de Heffingsambtenaar verklaard in te stemmen met de schriftelijke afhandeling van de zaak, naar aanleiding van een telefonisch onderhoud heeft belanghebbende, althans diens gemachtigde, bij e-mail van 25 april 2020 meegedeeld akkoord te gaan met afdoening van de zaak zonder onderzoek ter zitting en het Hof acht zich met de stukken van het geding voldoende geïnformeerd zonder mondelinge behandeling uitspraak te doen. De griffier heeft partijen per e-mail van 29 april 2020 bericht dat de zaak wordt afgedaan op de stukken.
5. De auto van belanghebbende staat op 23 en op 24 augustus 2019, om 14.33 uur en 17.40 uur, zo blijkt uit controle, op een door parkeerapparatuur gereguleerde parkeerplaats (een vergunninghoudersplaats) aan de [A] in [B] . Naar aanleiding van de ten tijde van de controle gedane bevindingen dat niet blijkt dat parkeerbelasting, door middel van een parkeervergunning of een dagkaart, is voldaan, zijn belanghebbende de twee naheffingsaanslagen opgelegd.
6. De Rechtbank heeft overwogen:
"(…)
3. In geschil is of de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd.
4. [ Belanghebbende] stelt dat zijn auto geparkeerd stond met twee wielen op het trottoir, zodat geen sprake meer was van een fiscale parkeerplaats maar van een zogeheten ‘Mulder’-feit.
5. Blijkens artikel 1, onder a, van de Verordening parkeerbelastingen 2019 (de Verordening) van de gemeente [B] wordt verstaan onder parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen, dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift verboden is.
6. De rechtbank overweegt dat het enkele feit dat de auto met twee wielen op de rand van de afbakening van het parkeervak geparkeerd stond niet leidt tot de conclusie dat geen sprake is geweest van parkeren in de zin van de Verordening. [Belanghebbende] heeft immers geparkeerd op een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen plaats en wel op een zodanige wijze dat daar niet door een andere weggebruiker kon worden geparkeerd, hetgeen maakt dat [de Heffingsambtenaar] ter zake van het parkeren heffingsbevoegd is. Nu [belanghebbende] nagenoeg geheel geparkeerd stond in een parkeervak, treft de verwijzing van de gemachtigde ter zitting naar artikel 24, vierde lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 geen doel. Ook de verwijzing van de gemachtigde naar de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 augustus 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:7239) faalt nu [belanghebbende] blijkens de foto’s niet geparkeerd stond op een (deel van een) verhoogd en bestraat voetpad naast de rijweg. Evenmin is gebleken dat [belanghebbende] geparkeerd stond op (een deel van) een groenstrook. Ter zitting heeft de gemachtigde voorts nog gesteld dat het zonder vergunning parkeren op een vergunninghoudersplaats een ‘Mulder’-feit betreft. Ook deze stelling slaagt niet nu vaststaat dat ter plaatse geen parkeerverbod geldt en daar geparkeerd kan worden met een geldige vergunning of door middel van het kopen van een dagvergunning bij de parkeerautomaat. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [belanghebbende] geparkeerd stond op een fiscale parkeerplaats en parkeerbelasting verschuldigd was. Nu vaststaat dat [belanghebbende] de verschuldigde parkeerbelasting niet heeft voldaan, heeft [de Heffingsambtenaar] de naheffingsaanslagen terecht opgelegd.
7. Nog daargelaten dat de Verordening niet de mogelijkheid biedt om rekening te houden met persoonlijke omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat [belanghebbende] zijn stelling dat de auto door een technisch mankement niet meer kon rijden, niet heeft onderbouwd.
8. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn de beroepen ongegrond verklaard.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding."
7. In hoger beroep is, net als voor de Rechtbank, in geschil of de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd. Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.
8. De over (de wijze van) het parkeren van de auto beschikbare gegevens, in het licht van de relevante regelgevingen, brengen naar 's Hofs oordeel niet anders mee, gelet ook op de in het verweerschrift in hoger beroep onder het kopje "Verweer" gegeven uiteenzetting, dan 1) dat de Rechtbank op goede gronden, begrijpelijk en juist, heeft geoordeeld dat de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd en 2) dat belanghebbende niets, ook niet in hoger beroep, heeft aangevoerd of ingebracht dat een andere conclusie rechtvaardigt. Het Hof neemt in aanmerking dat de argumenten en zienswijzen die belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd falen, reeds omdat die in wezen overeenkomen met die in beroep zijn aangevoerd. Opmerking verdient dat, anders dan belanghebbende in hoger beroep stelt, geen wettelijke regeling bestaat die in de weg staat te regelen dat op een (algemene) vergunninghoudersplaats mag worden geparkeerd tegen betaling van parkeerbelasting. Er is dus geen reden de in geding zijnde gemeentelijke verordening in zoverre onverbindend te verklaren.
9. Het hoger beroep is ongegrond.
10. Het Hof ziet geen reden een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
De uitspraak is vastgesteld door U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd. De beslissing is op 1 mei 2020, met de nodige coronabeperkingen, in het openbaar uitgesproken.
aangetekend aan
partijen verzonden:
Tegen deze uitspraak kan zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaanbinnen zes wekenna de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad: www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Het gaat om natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Wanneer die personen geen gebruik willen maken van digitaal procederen, sturen zij het beroepschrift in cassatie aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het cassatieberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd.

2. Alleen bij procederen op papier: het cassatieberoepschrift moet ondertekend zijn.

3. Het cassatieberoepschrift moet ten minste vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. De indiener zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.