De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier weken voor het medeplegen van winkeldiefstal bij een supermarkt te Leidschendam. In hoger beroep heeft het hof het vonnis van de politierechter vernietigd en opnieuw recht gedaan. Het hof oordeelde dat op basis van de getuigenverklaring van een getuige bij de raadsheer-commissaris sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en een medeverdachte, waarmee medeplegen werd vastgesteld.
De tenlastelegging betrof het gezamenlijk wegnemen van diverse winkelgoederen, waaronder bami goreng en grilham, met het oogmerk deze wederrechtelijk toe te eigenen. Het hof achtte het bewezen dat de verdachte dit feit heeft begaan, maar sprak haar vrij van hetgeen meer of anders was ten laste gelegd. De verdachte had meerdere eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten, wat meewoog bij de strafoplegging.
De opgelegde straf is een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken met aftrek van het voorarrest. Daarnaast werden twee vorderingen tot tenuitvoerlegging behandeld: één werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de straf reeds was geëxecuteerd, de andere vordering werd afgewezen omdat geen gronden voor tenuitvoerlegging aanwezig waren.
Het arrest is gewezen door mr. L.F. Gerretsen-Visser, mr. H.C. Plugge en mr. E. Mak, waarbij laatstgenoemde niet medeondertekende. Het arrest werd uitgesproken op 18 maart 2020 door het Gerechtshof Den Haag.