Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 13 mei 2020
de invorderingsambtenaar van de gemeente Den Haag, de Invorderingsambtenaar,
Procesverloop
Vaststaande feiten
Artikel 2 Belastbaar Pro feit
Artikel 3 Belastingplicht Pro
Artikel 6 Wijze Pro van heffing en bekendmaking
Artikel II
Oordeel van de Rechtbank
namens onze opdrachtgever, [X] B.V.” in de e-mail van 14 augustus 2018 heeft [D] op zijn minst de schijn gewekt dat zij op dat moment de gemachtigde van [belanghebbende] was. Daaruit kon [de Invorderingsambtenaar] afleiden dat de beslissing tot ambtshalve vermindering, die het gevolg was van deze e-mail en het daaropvolgende overleg, naar [D] moest worden verzonden. Voor zover [belanghebbende] heeft willen stellen dat zij niet bekend is geworden met de ambtshalve vermindering merkt de rechtbank op dat de uitspraak-acceptgiro met het verminderde bedrag naar haar adres is verzonden en niet is gebleken dat deze door haar niet is ontvangen. [Belanghebbende] mag geacht worden bekend te zijn met deze vermindering. Gelet op het bovenstaande verwijst [de Invorderingsambtenaar] in zijn verweerschrift terecht naar artikel 7, tweede lid, van de Kostenwet.
N.B. : 1. Voor eventuele vragen kunt u het bovengenoemde telefoonnummer bellen”. Indien en voor zover er al sprake is van een zorgplicht heeft [de Invorderingsambtenaar] hieraan voldaan. Gelet hierop, had het op de weg gelegen van [belanghebbende] om met [de Invorderingsambtenaar] contact op te nemen voor zover er bij haar nog vragen bestonden over de hoogte van het legesbedrag. Van schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur is aldus geen sprake.
Houdt u er wel rekening mee, dat over het uiteindelijk te betalen bedrag invorderingsrente in rekening wordt gebracht”. Op de diverse acceptgiro’s is bovendien opgenomen dat het totaal te betalen bedrag “
exclusief eventueel nog te betalen invorderingsrente” is. Zonder nadere onderbouwing ziet de rechtbank in de enkele stelling van [belanghebbende] dat zij het in rekening gebrachte bedrag aan invorderingsrente niet kan berekenen, onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat dit bedrag te hoog is. De in rekening gebrachte kosten zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 2 en Pro artikel 3, eerste lid, van de Kostenwet invordering rijksbelastingen (de Kostenwet).
Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen
Beoordeling van het hoger beroep
“omdat anders extra kosten worden berekend”, acht het Hof daarvoor ontoereikend. Uit die bewoordingen blijkt onvoldoende dat bij niet tijdige betaling van het verschuldigde bedrag aan leges betaling daarvan kan worden afgedwongen door op kosten van belanghebbende uit te voeren
invorderingsmaatregelen, waaraan immers – zoals in het onderhavige geval – bijzonder hoge kosten kunnen zijn verbonden.
Proceskosten en griffierecht
Beslissing
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens ten aanzien van de beslissingen over de proceskosten en het griffierecht;
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen de beschikking aanmaningskosten en de beschikking invorderingsrente;
- verklaart het beroep voor het overige gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de beschikking betekeningskosten;
- gelast de Invorderingsambtenaar het bedrag van € 10.161 aan betekeningskosten aan belanghebbende terug te betalen, te vermeerderen met het op de voet van artikel 6:119 en Pro 6:120 BW over dit bedrag met ingang van de dag van betaling te berekenen bedrag aan wettelijke rente;
- veroordeelt de Invorderingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 786; en
- draagt de Invorderingsambtenaar op het betaalde griffierecht voor het Hof van € 519 aan belanghebbende te vergoeden.
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.