Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Zaaknummer rechtbank : C/10/534396 / HA ZA 17-849
1.[appellant] ,
1.[geïntimeerde 1] ,
2. [geïntimeerde 2] ,
Bij arrest van 30 april 2019 is een comparitie van partijen gelast. De comparitie is niet doorgegaan.
Bij memorie van antwoord met producties heeft [geïntimeerde 1] c.s. de grieven bestreden, zijn eis vermeerderd en tevens incidenteel appel ingesteld.
c.s. heeft hierna zijn eisvermeerdering en het incidenteel appel weer ingetrokken en het hof bericht dat iedere partij zijn eigen kosten in het (ingetrokken) incidenteel appel zal dragen.
’ [adres 1] , kadastraal bekend gemeente [plaats] , sectie A nummer [kadasternummer 1] (hierna: Perceel 19 ), en [adres 2] , kadastraal bekend gemeente [plaats] , sectie A [kadasternummer 2] (hierna: Perceel 17 ; tezamen met Perceel 19 : de Percelen).
uitgemeten en een veldwerk opgesteld (ondertekend op 4 april 1956; kenmerk [nummer 1] ).
In 1957 is op Perceel 17 een woning gebouwd.
Vervolgens is in dienstjaar 1959 een nieuw veldwerk opgesteld (ondertekend op december 1957; kenmerk [nummer 2] ).
Hierna heeft [appellant] c.s. langs zijn woning een stuk pad met border – dat parallel aan deze erfgrens loopt – bewerkt (hierna: het Pad).
Gegevens van de verschenen belanghebbenden of vertegenwoordigingDe heer [geïntimeerde 1] (…) verschenen op 24-01-2017;mevrouw [belanghebbende] (…) verschenen op 24-01-2017
Zoals vorige week telefonisch u besproken, zouden wij uw vragen doorzetten naar onze juridische afdeling.
primair: op straffe van een dwangsom (het Pad op) Perceel 19 te ontruimen en te verlaten (en ontruimd en verlaten te houden) met machtiging, voor zover vereist, van [geïntimeerde 1] c.s. om, zo [appellant] c.s. mocht nalaten aan deze veroordeling te voldoen, de nakoming daarvan te (doen) bewerkstelligen met behulp van de sterke arm;
subsidiair: op last van een dwangsom de schade als gevolg van een (eventuele) voltooide bevrijdende verjaring te vergoeden en te bepalen dat deze schade dient te worden vergoed door [geïntimeerde 1] c.s. het bezit te verschaffen van de strook grond die kadastraal gezien onderdeel uitmaakt van Perceel 19 ;
De vordering tot, kort gezegd, het oprichten van een scheidsmuur heeft [geïntimeerde 1] c.s. gestaafd met een beroep op de wettelijke (medewerkings)verplichting (art. 5:49 BW Pro).
Aan de vordering tot betaling van € 49,25 heeft [geïntimeerde 1] c.s. ten slotte de wettelijke rente en kosten ten grondslag gelegd die zijn ontstaan, doordat [appellant] c.s. eerder heeft nagelaten een verschuldigd bedrag van € 225,-- (een gedeelte van de kosten die in 2016 voor het Kadaster zijn gemaakt) tijdig te betalen.
Aan zijn vordering tot veroordeling tot medewerking aan scheidsmuur heeft [appellant] c.s. artikel 5:46 BW Pro ten grondslag gelegd.
De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat de Percelen in de relevante overgelegde notariële aktes niet (nader) zijn beschreven, waardoor de beschrijving van de Percelen in het kadaster in beginsel leidend is bij de bepaling van de erfgrenzen.
De Percelen zijn in het Kadaster ingeschreven overeenkomstig het in 1957 en 1959 uitgevoerde veldwerk, waardoor dit veldwerk richtinggevend is voor de erfgrens. De landmeter van het Kadaster heeft in januari 2017 de erfgrens gereconstrueerd langs de lijnen van het veldwerk (hof: zie hiervoor, overweging 7).
De stellingen van [appellant] c.s. dat het veldwerk en de latere grensreconstructie, kort gezegd, ondeugdelijk zijn, zijn verworpen.
De stelling van [appellant] c.s. dat hij op grond van verjaring eigenaar is geworden van de Strook is verworpen, omdat van inbezitneming door hem (en/of zijn rechtsvoorgangers) volgens de rechtbank geen sprake is geweest.
De vorderingen van beide partijen ten aanzien van elkaars medewerking bij de oprichting van een erfafscheiding zijn afgewezen, omdat zij, als buren, dit geschil volgens de rechtbank in onderling overleg moeten oplossen.
Ten slotte is de vordering tot betaling van € 49,25 toegewezen, omdat [appellant] c.s. jegens [geïntimeerde 1] c.s. heeft ingestemd om de kosten voor het onderzoek van het Kadaster in 2017 deels te vergoeden en deze te laat heeft betaald.
Grief 1is gericht tegen de overweging van de rechtbank dat Leylandiihaag enkel door eigenaren van Perceel 19 , de rechtsvoorgangers van [geïntimeerde 1] , is geplant. Volgens [appellant] c.s. is dit op basis van gezamenlijk overleg tussen de eigenaren van de Percelen gebeurd.
In
Grieven 2 t/m 5wordt betoogd dat de beschrijving van de Percelen in het Kadaster (gebaseerd op de onderling afwijkende veldwerken uit 1957 en 1959) niet bepalend kan zijn voor de erfgrenzen, omdat de feitelijke situatie, zoals [appellant] c.s. geleverd heeft gekregen en zoals al decennia bestaat (volgens de zogenaamde ‘paaltjeslijn’), in dit geval leidend is voor de juridische situatie.
Grieven 6 t/m 9zijn gericht tegen het oordeel dat [appellant] c.s. niet op grond van verjaring eigenaar van de Strook is geworden. Volgens [appellant] c.s. blijkt uit alle omstandigheden dat van inbezitneming sprake is (geweest), waardoor de verjaringstermijn is gaan lopen en inmiddels is voltooid.
Grief 10komt op tegen de toegewezen ontruiming,
Grief 11is gericht tegen de afwijzing van de gevorderde medewerking aan de oprichting van een scheidsmuur tussen de percelen, terwijl
Grief 12ten slotte op komt tegen de proceskostenveroordeling.
(a) de door partijen overgelegde relevante notariële leveringsakten geen (verdere) beschrijving van de Percelen bevatten; en
(b) dat dit betekent dat zij een onroerende zaak geleverd hebben gekregen met een perceelsomvang zoals die Percelen kadastraal zijn omschreven.
(i) de grensreconstructie door het Kadaster in 2017 onjuist is; en/of
(ii) hij als gevolg van verjaring eigenaar van de Strook is geworden.
Beoordeling van argument (i)
In de [appellant] -reconstructie zijn (onder meer) de veldwerken uit 1957 en 1959 met satellietfoto’s en onderling vergeleken. Hieruit blijkt dat beide veldwerken verschillen, de erfgrens (in werkelijkheid) wordt gevormd door de piketpaaltjes (al dan niet in combinatie met de Leylanddiihaag), waardoor het Pad niet op Perceel 19 ligt.
Om te beginnen kan op grond van de [appellant] -reconstructie niet worden geconcludeerd dat de kadastrale beschrijving ondeugdelijk is. Uit het Relaas en de e-mail van het Kadaster van 6 augustus 2018 (zie hiervoor overwegingen 6 en 9) blijkt dat de plattegronden in het veldwerk en het Relaas schetsen betreffen die niet op schaal zijn. Anders dan in de [appellant] -reconstructie wordt verondersteld, is het dus niet mogelijk de ‘echte erfgrens’ te reconstrueren door satellietfoto’s ‘over’ deze schetsen ‘heen te leggen’ en hieruit conclusies te trekken. Het Kadaster heeft in voornoemde e-mail voorts te kennen gegeven dat het veldwerk uit 1957 en 1959 inhoudelijk overeenstemt (behalve de ‘intekening’ van de woning op Perceel 17 en een eventuele kleine foutmarge).
Daarnaast bestaat geen reden om aan te nemen dat de grensreconstructie door het Kadaster uit 2017 onjuist is. Deze reconstructie is, blijkens de plattegronden die in het Relaas zijn opgenomen, gebaseerd op zowel het veldwerk uit 1957 als uit 1959. Het hof passeert de stelling dat [appellant] c.s. niet bij de reconstructie door de landmeter van het Kadaster aanwezig zou zijn geweest, omdat deze – in het licht van de betwisting door [geïntimeerde 1] c.s. en de opmerkingen hierover in het Relaas – onvoldoende onderbouwd is. Een en ander is niet anders nu [appellant] c.s. door de landmeter bij het opstellen van het Relaas niet om ‘inlichtingen’ is verzocht. Dit laatste is ingevolge artikel 57 Kadasterwet Pro alleen nodig wanneer een meting wordt uitgevoerd omdat dit noodzakelijk is ten behoeve van ‘bijhouding’ van het Kadaster. Dit was in 2017 niet het geval. Ten slotte geldt dat [appellant] c.s. en aanzien van beide door hem gestelde onvolkomenheden niet heeft toegelicht in welk belang hij hierdoor is geschaad (meer in het bijzonder welke relevante omstandigheden hij daardoor niet heeft kunnen aanvoeren).
Beoordeling van argument (ii)
Conclusie
Dit leidt tot de conclusie dat de grieven falen en/of dat [appellant] c.s. bij de verdere behandeling hiervan geen belang (meer) heeft. Voor bewijslevering bestaat geen aanleiding omdat geen feiten te bewijzen zijn aangeboden die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. [appellant] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in het principale hoger beroep worden veroordeeld. Het hof beslist daarom als volgt.
€ 1.074,-- aan salaris advocaat (tarief II x 1 punt) en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van dit arrest moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met € 157,-- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 82,-- indien niet binnen 14 dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden.