ECLI:NL:GHDHA:2021:1086

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
15 juni 2021
Publicatiedatum
15 juni 2021
Zaaknummer
22-005171-19.oa
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep ontnemingsvordering wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van opzetheling laptops

In deze ontnemingszaak stond de betrokkene terecht voor opzetheling van 16 laptops. De politierechter had het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €8.000,00 en betaling aan de Staat opgelegd. Namens de betrokkene werd hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.

Het hof heeft het bewijs en de verklaringen, waaronder die van de koper, onderzocht en oordeelde dat de betrokkene wel degelijk wederrechtelijk voordeel had behaald. De stelling van de betrokkene dat hij de laptops voor dezelfde prijs had gekocht en verkocht werd niet geloofwaardig geacht.

Op basis van het rapport van de bevoegde opsporingsambtenaar en de verklaringen werd het bedrag van €8.000,00 vastgesteld als het wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene had geen kosten aannemelijk gemaakt die dit bedrag zouden verminderen.

Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en deed opnieuw recht door de ontnemingsvordering te bevestigen, met oplegging van betaling aan de Staat en een gijzelingstermijn van 160 dagen bij niet-betaling.

Het arrest werd gewezen door mr. W.J. van Boven, mr. A.L. Frenkel en mr. R. van der Hoeven, waarbij laatstgenoemde niet kon ondertekenen.

Uitkomst: Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €8.000,00 en legt betaling aan de Staat en gijzeling op.

Uitspraak

Rolnummer: 22-005171-19
Parketnummer: 09-808127-17
Datum uitspraak: 15 juni 2021
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 24 oktober 2019 in de ontnemingszaak tegen de betrokkene:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats],
adres: [adres].
Procesgang in de strafzaak
Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 24 oktober 2019 is de betrokkene – voor zover hier van belang - ter zake van het in zijn strafzaak onder 1 bewezenverklaarde, gekwalificeerd als:

opzetheling,

veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Procesgang in de ontnemingszaak
De in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie houdt in dat de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat vaststelt op € 8.000,00 en de betrokkene de verplichting tot betaling aan de Staat oplegt van dat bedrag.
De politierechter in de rechtbank Den Haag heeft bij vonnis van 24 oktober 2019 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 8.000,00 en ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.
Namens de betrokkene is tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.
Beoordeling van het vonnis
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich niet verenigt met de daarin opgenomen bewijsmiddelen.
Bewijsvoering
De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.
Grondslag voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Het hof is van oordeel dat op grond van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep aannemelijk is geworden dat de betrokkene door middel van of uit baten van het in de strafzaak onder 1 bewezenverklaarde, de opzetheling van 16 laptops, wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
Dat de betrokkene, zoals hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard, geen wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, omdat hij deze laptops van de hem bekende verkoper [verkoper] op de Zwarte Markt te Beverwijk heeft gekocht voor € 500,00 per stuk, wat de betrokkene op geen enkele wijze heeft onderbouwd, en naderhand voor diezelfde prijs per stuk heeft verkocht aan [koper] -er zou sprake zijn geweest van een achteraf bezien onjuiste zakelijke inschatting bij de aankoop van de laptops door de betrokkene-, acht het hof niet geloofwaardig.
Motivering van de op te leggen maatregel
Het hof gaat bij de berekening van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel uit van het door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakte ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex artikel 36e, 2e lid Sr’ d.d. 28 juni 2017.
Uit de verklaring van [koper] is gebleken dat hij op 15 maart 2017 6 laptops heeft gekocht voor € 500,00 per stuk.
6 x € 500,00 = € 3.000,00
Voorts is uit de verklaring van [koper] gebleken dat hij op 22 maart 2017 10 laptops heeft gekocht voor € 500,00 per stuk.
10 x € 500,00 = € 5.000,00
Het totaal is: € 3.000,00 + € 5.000,00 = € 8.000,00
De betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij kosten heeft gemaakt in relatie tot het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het hof stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 8.000,00.
Het hof zal de betrokkene de verplichting opleggen dit bedrag aan de Staat te betalen.
Toepasselijk wettelijk voorschrift
Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit rechtens geldt dan wel gold.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van
€ 8.000,00 (achtduizend euro).
Legt de betrokkene de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 8.000,00 (achtduizend euro).
Bepaalt de duur van de
gijzelingdie ten hoogste kan worden gevorderd op
160 dagen.
Dit arrest is gewezen door mr. W.J. van Boven,
mr. A.L. Frenkel en mr. R. van der Hoeven, in bijzijn van de griffier mr. C. Hol.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 15 juni 2021.
Mr. R. van der Hoeven is buiten staat dit arrest te ondertekenen.