In hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag heeft het gerechtshof het onder 2 tenlastegelegde, te weten medeplegen van poging tot afpersing en subsidiair poging tot zware mishandeling, niet bewezen geacht en verdachte vrijgesproken. Het hof oordeelde dat er onvoldoende bewijs was dat verdachte fysiek aanwezig was bij het delict en dat het bellen van het slachtoffer en doorgeven van het adres niet onderdeel was van een nauwe en bewuste samenwerking die medeplegen zou rechtvaardigen.
De verdediging had verzocht een deskundige op het gebied van mobiele telecommunicatie te horen, maar dit verzoek werd afgewezen vanwege de vrijspraak. Daarnaast beval het hof de onttrekking aan het verkeer van een in beslag genomen ploertendoder en een taser, omdat deze voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking gezien het algemeen belang.
De benadeelde partij had een vordering tot schadevergoeding ingediend, maar deze werd niet-ontvankelijk verklaard omdat verdachte werd vrijgesproken. De benadeelde partij werd veroordeeld in de kosten die verdachte heeft moeten maken voor de verdediging, welke kosten voorlopig op nihil werden begroot.
Het arrest werd uitgesproken door het hof van Den Haag op 1 februari 2021, waarbij het vonnis van de rechtbank werd vernietigd voor zover het betrekking had op het onder 2 tenlastegelegde.