ECLI:NL:GHDHA:2021:1348

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
15 juni 2021
Publicatiedatum
16 juli 2021
Zaaknummer
200.287.255/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging dwangsom bij niet-nakoming omgangsregeling ouderschapsplan

Partijen zijn ex-partners en gezamenlijk ouders van twee minderjarige kinderen. Zij hebben een ouderschapsplan met een zorgregeling waarin is afgesproken dat de kinderen om de veertien dagen een weekend bij de man verblijven.

De vrouw is veroordeeld tot nakoming van deze regeling en tot betaling van een dwangsom bij niet-naleving. Zij is in hoger beroep gegaan tegen de dwangsomveroordeling en voerde aan dat zij zich zorgen maakte over het welzijn van de kinderen en daarom de omgangsregeling opschortte. Tevens stelde zij dat zij bereid was tot hervatting onder voorwaarden.

Het hof oordeelt dat de vrouw gehouden is aan de zorgregeling en dat er voldoende aanleiding is voor de dwangsom. Haar voorstellen tot hervatting onder voorwaarden wijzen niet op onvoorwaardelijke medewerking. Het bewijsaanbod van de vrouw wordt niet gehonoreerd vanwege de kortgedingprocedure. Het hof wijst het hoger beroep af en compenseert de proceskosten tussen partijen.

Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep van de vrouw af en bekrachtigt de dwangsomveroordeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.287.255/01
Zaaknummer rechtbank : C/10/603049 KG ZA 20-770

arrest van 15 juni 2021

inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. T. Erdal te Rotterdam,
tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. S. Sturrus-Burger te Den Haag.

Het geding

Bij exploot van 9 december 2020 is de vrouw in hoger beroep gekomen van een door de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam tussen partijen gewezen vonnis van 11 november 2020 (hierna: het bestreden vonnis).
In de appeldagvaarding heeft de vrouw één grief aangevoerd.
Bij memorie van antwoord heeft de man de grief bestreden.
Partijen hebben arrest gevraagd. De man heeft daarbij zijn procesdossier overgelegd.

De feiten

1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Zij zijn de ouders van
- [minderjarige een] , geboren op [in] 2015 te [plaatsnaam] , en
- [minderjarige twee] , geboren [in] 2017 te [plaatsnaam] .
De man en de vrouw oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over de kinderen.
2. Partijen zijn in een ouderschapsplan van 9 december 2019 een zorgregeling overeen- gekomen. Zij hebben in maart 2020 nadere afspraken met elkaar gemaakt over de zorgregeling, inhoudende dat de minderjarigen een weekend om de veertien dagen van vrijdag 15.00 uur tot en met zondag 17.00 uur bij de man verblijven.

Het bestreden vonnis

3. In het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter:
- de vrouw veroordeeld tot nakoming van het ouderschapsplan en de daarin opgenomen zorgregeling, inhoudende dat de minderjarigen een weekend om de veertien dagen van vrijdag 15.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de man verblijven,
- de vrouw veroordeeld om aan de man een dwangsom te betalen van € 150,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de proceskosten zijn tussen partijen gecompenseerd.

De vordering in hoger beroep

4. De vrouw heeft gevorderd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad:
- de uitvoerbaarheid bij voorraad van het bestreden vonnis schorst voor de duur van het geding in appel;
- het bestreden vonnis vernietigt en, opnieuw rechtdoende, de vordering van de man ten aanzien van de dwangsomoplegging alsnog afwijst.
Kosten rechtens.
5. De man heeft geconcludeerd tot ongegrond verklaring van de vorderingen van de vrouw, althans tot afwijzing, met veroordeling van de vrouw in de kosten van beide instanties.

De beoordeling

6. De grief van de vrouw is gericht tegen de dwangsomveroordeling. Zij voert in haar toelichting aan dat zij zich terecht zorgen heeft gemaakt om het welzijn van de minderjarigen en dat opschorting van de omgangsregeling noodzakelijk was. De vrouw stelt dat zij op de zitting bij de voorzieningenrechter de bereidheid heeft getoond de omgangsregeling te hervatten en daartoe voorstellen heeft gedaan, zoals het hervatten van de regeling zonder overnachting of in aanwezigheid van een derde persoon. De voorzieningenrechter is door het opleggen van een dwangsom voorbij gegaan aan de welwillendheid van de vrouw. Het opleggen van een dwangsom als een stimulans tot naleving was onredelijk aangezien de vrouw tijdens de zitting op geen enkele wijze het signaal heeft gegeven dat zij de regeling aan haar laars zou lappen. Na het bestreden vonnis hebben partijen de omgangsregeling ook meteen hervat.
7. Het hof stelt voorop dat de vraag of de vrouw gehouden is de regeling na te komen niet meer in debat is: tegen de overweging van de voorzieningenrechter dat de zorgregeling zo spoedig mogelijk moet worden hervat is geen grief gericht De vrouw zelf heeft uitdrukkelijk aangegeven dat het hoger beroep alleen is gericht tegen de dwangsomveroordeling.
Het hof is met de voorzieningenrechter van oordeel dat er voldoende aanleiding is een dwangsom te verbinden aan de veroordeling tot nakoming van de omgangsregeling. De vrouw heeft de omgangsregeling tot twee maal toe gestaakt en ter zitting van de voorzieningenrechter is niet gebleken dat de vrouw bereid was haar onvoorwaardelijke medewerking aan de hervatting van de omgangsregeling te geven. Haar voorstellen tot de hervatting van de omgangsregeling onder voorwaarden wijzen daar juist niet op.
8. Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod van de vrouw. In een kort geding procedure is voor bewijslevering geen plaats.
9. De vordering van de vrouw tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het bestreden vonnis wordt afgewezen. De vrouw heeft geen belang meer bij deze schorsing omdat het hof een eindarrest wijst.
10. Partijen zijn ex-partners en het geschil betreft de uitvoering van een zorgregeling. Het hof zal daarom – evenals de voorzieningenechter in eerste aanleg - de proceskosten tussen partijen compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Beslissing

Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten in hoger beroep draagt;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.M. Warnaar, J.M. van de Poll en A.C. Olland, en is ondertekend en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 juni 2021 door mr. J.E.H.M. Pinckaers, rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier.