ECLI:NL:GHDHA:2021:1357
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake contractuele verdeling en dwaling bij echtscheiding met aanpassing peildatum banksaldi
Partijen zijn in 1975 getrouwd in gemeenschap van goederen en zijn in 2017 gescheiden met een echtscheidingsconvenant waarin de verdeling van de woning en financiële zaken was geregeld. De man stelde dat hij bij het sluiten van het convenant had gedwaald en dat de vrouw geen nakoming kon vorderen. Het hof oordeelde dat er geen sprake was van dwaling en dat de vrouw terecht nakoming kon vorderen, mede omdat de belangen van de vrouw zwaarder wegen dan het voortzetten van het gebruik van de woning door de man.
De man voerde ook aan dat de ASR-polis niet in de verdeling had moeten worden betrokken, maar het hof oordeelde dat deze alsnog verdeeld moest worden. De vrouw vorderde daarnaast een dwangsom om de man te dwingen de woning te verlaten, maar het hof legde geen dwangsom op omdat de man had toegezegd de woning te verlaten na verkoop.
Betreffende de verdeling van het saldo van het ING-inkomensdepot stelde het hof een andere peildatum vast dan de rechtbank, namelijk 1 april 2019 in plaats van de datum van notariële levering. Dit omdat de man het depot deels gebruikte voor eigen spaardoeleinden en de vrouw hem tot april 2019 de tijd had gegeven om de financiering te regelen. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij het hof de man waarschuwde dat bij niet-nakoming toekomstige kostenveroordelingen kunnen volgen.
Uitkomst: Het hof vernietigt gedeeltelijk het vonnis over de verdeling van het inkomensaanvullingsdepot met peildatum 1 april 2019 en bekrachtigt het overige.