Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 11 mei 2021
[de vrouw] ,
[de man] ,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
.
Gerechtshof Den Haag
Partijen hadden een affectieve relatie en woonden samen van september 2000 tot juli 2017, met een notariële samenlevingsovereenkomst uit 2001. Zij kochten samen een woning met een hypothecaire lening, die na het uiteengaan werd overgesloten en gedeeltelijk afgelost met polis en beleggingsrekening.
Na verkoop van de woning ontstond onenigheid over de afwikkeling van vermogensrechtelijke gevolgen, waaronder achterstallige hypotheekrente, kosten voor de gezamenlijke woning, schulden en diverse betalingen na het uiteengaan. De rechtbank had een vonnis gewezen waarop hoger beroep werd ingesteld.
Het hof vernietigde het vonnis voor zover het de vordering van de vrouw over achterstallige rente betrof en wees deze toe. Daarnaast werden diverse vorderingen van partijen deels toegewezen en deels afgewezen, waaronder betalingen voor autokosten, uitvaartverzekering en een WAO-schuld. De proceskosten werden gecompenseerd omdat partijen op verschillende punten in het gelijk werden gesteld.
Het hof oordeelde dat schulden en kosten die betrekking hebben op gemeenschappelijke goederen volgens de samenlevingsovereenkomst gelijkelijk gedragen moeten worden. Bewijslast en stelplicht werden kritisch beoordeeld, waarbij het hof de vrouw onvoldoende onderbouwing vond voor sommige vorderingen en bewijsaanbiedingen buiten beschouwing liet wegens procesorde.
De uitspraak bevat een gedetailleerde financiële afwikkeling met veroordelingen tot betaling van specifieke bedragen, vermeerderd met wettelijke rente, en bevestigt daarmee de complexiteit van vermogensrechtelijke afwikkeling na beëindiging van een samenleving.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis voor de vordering over achterstallige hypotheekrente, wijst diverse vorderingen toe en compenseert de proceskosten.