ECLI:NL:GHDHA:2021:1376
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging opheffing faillissement wegens onvoldoende baten voor voortzetting
Het gerechtshof Den Haag behandelde het hoger beroep van de failliet tegen de beschikking van de rechtbank Rotterdam die het faillissement had opgeheven wegens onvoldoende baten in de boedel. De failliet stelde dat voortzetting van het faillissement gewenst was vanwege een schuldeiser die niet wilde meewerken aan een crediteurenakkoord en de beschikbaarheid van middelen van zijn echtgenote.
De curator voerde aan dat het hoger beroep in essentie een bezwaar tegen de vaststelling van zijn salaris betrof, waartegen geen rechtsmiddel openstaat. Het hof overwoog dat op grond van artikel 16 lid 1 Faillissementswet Pro de rechtbank een faillissement kan opheffen indien onvoldoende baten zijn voor de faillissementskosten en boedelschulden, om zinloze voortzetting te voorkomen.
De failliet had niet aannemelijk gemaakt dat de boedeltoestand voortzetting rechtvaardigde. De bedragen die de echtgenote beschikbaar stelde, kwamen niet toe aan de boedel. Bovendien is het doel van een faillissement niet de bescherming van de schuldenaar tegen schuldeisers of het bieden van hulp bij financiële problemen. Voortzetting zou ook leiden tot doorlopende faillissementskosten.
Het hof bevestigde daarom de opheffing van het faillissement. Tevens werd overwogen dat de curator een bedrag van circa €8.100,- uit verkoop van goederen van de echtgenote aan de boedel had toegevoegd, terwijl de echtgenote een procedure tegen de curator had gestart om dit bedrag terug te vorderen. Dit maakte geen verschil voor de beslissing over het faillissement.
Uitkomst: Het hof bevestigt de opheffing van het faillissement wegens onvoldoende baten voor voortzetting.