Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Beslissing
Het geding
De beoordeling van het verzoek
inleiding
‘beperkt manoeuvreerbaar schip’was als bedoeld in voorschrift 18 (a) (ii) juncto voorschrift 3 (g) (iii) Colregs. Naar haar mening was geen sprake van een schip dat
‘door de aard van zijn werk beperkt is in zijn mogelijkheid om te manoeuvreren’(voorschrift 3 (g), aanhef, Colregs) en doet zich bij beloodsing niet de situatie voor van
‘een schip bezig met […] het overbrengen van personen […] terwijl het varende is’(voorschrift 3 (g) (iii) Colregs). Op grond van voorschrift 15 van de Colregs was de [naam vaartuig 2] daarom uitwijkplichtig ten opzichte van de van stuurboord inkomende [naam vaartuig 1] , aldus Loodswezen.
‘Teneinde haar positie nader te kunnen bepalen en om een keuze te kunnen maken om de appelprocedure al dan niet door te zetten’verzoekt Loodswezen om een voorlopig deskundigenbericht door een door haar genoemde, althans nog nader te noemen, persoon. Deze zou dan de volgende,
‘nautisch technische’, vragen moeten beantwoorden:
vlccAlexandra I. In die uitspraak is geoordeeld over de toepassing van de koers-kruis-voorschriften 15-17 van de Colregs. De rechters hebben zich daarbij laten bijstaan door
nautical assessors.Hun rol was
‘to provide advice as to matters of navigation and seamanship’.Dat is ook de rol die Loodswezen naar haar zeggen voor zich ziet voor de op haar verzoek te benoemen deskundige.
expert opinion reportvan [naam kapitein 5] en een
investigation reportvan [naam kapitein 6] . Ook is op verzoek van Loodswezen een voorlopig getuigenverhoor bevolen, waar Loodswezen vervolgens zelf geen invulling aan heeft gegeven. Het indienen van het onderhavige verzoek om een voorlopig deskundigenbericht ziet Pedregal als een geslaagde vertragingstactiek van Loodswezen; het verzoek – dat is gedaan nadat Pedregal een anticipatie-exploot had uitgebracht en aan Loodswezen ‘peremptoir had aangezegd’ – heeft ertoe geleid dat het hoger beroep stil ligt (ambtshalve is doorgehaald).
‘een schip bezig met […] het overbrengen van personen […] terwijl het varende is’(voorschrift 3 (g) (iii) Colregs), omdat het te beloodsen zeeschip tijdens de beloodsing manoeuvreerbaar is en ook moet blijven, waardoor er geen sprake is van een schip dat
‘door de aard van zijn werk beperkt is in zijn mogelijkheid om te manoeuvreren’(voorschrift 3 (g), aanhef, Colregs). De rechtbank heeft dat standpunt echter verworpen. Onder meer overwoog de rechtbank: ‘
Ook indien het standpunt van het Loodswezen juist is, dat het voor een zeeschip als de [naam vaartuig 2] technisch wel degelijk mogelijk is om een manoeuvre te maken tijdens de loodsafzetting, geldt dat de veiligheid van de scheepvaart gediend is met een eenduidige uitleg van de Colregs. De definitie “een schip bezig met […] het overbrengen van personen […], terwijl het varende is” geeft geen ruimte om hierop een uitzondering te maken, laat staan dat van het scheepvaartverkeer verwacht kan worden dat per situatie onderzocht wordt of een schip dat een loods afzet misschien toch volledig manoeuvreerbaar blijft. Zoals Pedregal ook heeft gesteld dient genoemde definitie ruim te worden uitgelegd. Een schip is niet slechts beperkt manoeuvreerbaar gedurende het daadwerkelijk overzetten van de loods […] maar een schip is daarmee al bezig zo gauw uit het gedrag van schip en loodsboot duidelijk wordt dat een loods zal worden overgezet.’Loodswezen is het niet eens met deze ruime uitleg. Het gaat hierbij echter om de uitleg van een algemeen geldend voorschrift uit een verdrag met wereldwijde werking. Uit wat Loodswezen in de toelichting op haar verzoek heeft aangevoerd wordt niet duidelijk dat daarbij bepalend is of kan zijn of – naar de mening van een nautisch deskundige – een bepaald schip, in dit geval de [naam vaartuig 2] , in nautisch technisch opzicht wel of geen beperking in de manoeuvreerbaarheid ondervindt bij een specifieke handeling, hier: het ter plaatse overzetten van een loods in overeenstemming met de daarvoor geldende instructies. Vooralsnog wordt het er daarom voor gehouden dat Loodswezen (met vraag a) een voorlopig deskundigenbericht wil naar een omstandigheid – te weten: het zich al dan niet voordoen van een feitelijke beperking in de manoeuvreerbaarheid van de [naam vaartuig 2] – die niet beslissend is voor de uitkomst van het geschil.
‘een schip bezig met […] het overbrengen van personen […] terwijl het varende is’, is het bovendien niet nodig om eerst vast te stellen of de [naam vaartuig 2] feitelijk, in nautisch technisch opzicht, beperkt manoeuvreerbaar was; die beoordeling kan immers ook plaatsvinden op basis van een aanname – overeenkomstig het standpunt van Loodswezen – dat die beperking in de manoeuvreerbaarheid zich in nautisch technisch opzicht niet voordeed.
De beslissing
dinsdag 22 juni 2021wordt geplaatst voor het indienen van de memorie van grieven door Loodswezen.