Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest (uitspraak) van 3 augustus 2021
Stichting Rijswijk Wonen,gevestigd te Rijswijk,appellante,
[verweerster] ,
De processtappen
- het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag
van 23 januari 2020 (hierna het vonnis of het bestreden vonnis) en het procesdossier
bij de kantonrechter;
- de dagvaarding in hoger beroep van 18 februari 2020;
- het tussenarrest van 17 maart 2020, waarbij een comparitie na aanbrengen werd gelast;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 14 juli 2020;
- de memorie van grieven van 25 augustus 2020;
- de memorie van antwoord van 6 oktober 2020 (met een productie).
De zaak in het kort
De feiten
- a) [verweerster] huurt sinds 15 december 2017 van Rijswijk Wonen een portiekwoning op de vierde etage, gelegen aan de [adres] te [plaatsnaam] (hierna: de woning of het gehuurde). Bij deze woning hoort een berging in de kelder. De ex-partner van [verweerster] , de heer [X] (hierna: [X] of de ex-partner), heeft bij [verweerster] ingewoond. Uit deze relatie is op [datum] 2018 een zoon geboren. [verweerster] woont thans alleen met haar zoontje in de woning. Op de huurovereenkomst zijn de algemene huurvoorwaarden van toepassing.
- b) Op 28 mei 2019 heeft de politie 21 hennepplanten (hierna: een hennepkwekerij) in de berging aangetroffen. De ex-partner heeft deze hennepkwekerij daar opgezet.
De vordering van Rijswijk Wonen en de beslissing van de kantonrechter
Het hoger beroep
Zij stelt voorop dat het niet uitmaakt wie de hennepkwekerij heeft opgezet. [verweerster] is als huurder altijd verantwoordelijk voor wat zich in het gehuurde (inclusief de berging) voordoet. Er is bovendien sprake van een gedraging in het gehuurde door een huisgenoot met wie [verweerster] een gezin vormde. Bezwaarlijk kan worden volgehouden dat [verweerster] daar niets mee van doen had, althans geheel onwetend was. De bewijslast van dit laatste rust op [verweerster] . De grondslag van de vordering is niet artikel 7:219 BW Pro, maar artikel 6:265 BW Pro. De inrichting van een hennepkwekerij in het gehuurde levert na te melden tekortkomingen op van [verweerster] :
(i) Artikel 7:213 BW Pro (geen goed huurder).
(ii) Artikel 6.14 algemene huurvoorwaarden (verbod tot het kweken en laten kweken
van hennep).
(iii) Artikel 6.17 algemene huurvoorwaarden (gebod tot maatregelen tegen schade).
(iv) Artikel 6.6 algemene huurvoorwaarden en 7:214 BW (de huurder mag het gehuurde zonder
toestemming van Rijswijk Wonen niet geheel of gedeeltelijk gebruiken als bedrijfsruimte).
Volgens Rijswijk Wonen heeft de kantonrechter dit miskend.
Beoordeling van het hoger beroep
Rijswijk Wonen en de weren van [verweerster] (krachtens de devolutieve werking van het hoger beroep ook de weren in eerste aanleg). Zo nodig vult het hof ambtshalve de rechtsgronden aan (artikel 25 Rv Pro).
Beoordeling van de grieven
in zijn algemeenheidte ver. In zoverre is deze stelling van Rijswijk Wonen dus onjuist. Weliswaar zullen er vaak omstandigheden zijn waardoor een hennepkwekerij in het gehuurde een tekortkoming van de huurder oplevert, maar dat is niet altijd het geval. Wanneer een huurder niet de hand heeft gehad in de hennepkwekerij, deze niet kende en deze evenmin hoorde te kennen, althans met de kans hierop geen rekening had hoeven houden, zal er niet snel sprake zijn van een tekortkoming van huurder.
op de hoogte hoorde te zijn, althans hier rekening mee had moeten houden,is zeer casuïstisch van aard. Een algemene regel is hiervoor niet te geven. Wél kan hiervoor steun worden gevonden in de jurisprudentie van de Hoge Raad en de commentaren bij artikel 7:219 BW Pro [1] (over aansprakelijkheid van de huurder voor gedragingen van hen die met goedvinden van huurder het gehuurde gebruiken of zich daar bevinden). In een dergelijk geval is er sprake van
risicoaansprakelijkheidvan huurder
voor schade(ook schade door bijvoorbeeld illegaal aangelegde elektriciteitsvoorzieningen). Indien een door de huurder toegelaten derde zich misdraagt zonder dat dit schade aan het gehuurde oplevert, is van deze rechtstreekse toerekening aan de huurder van dat gedrag als tekortkoming geen sprake en komt het erop aan of de huurder zich in verband met de gedraging van de derde zelf niet als een goed huurder heeft gedragen. Het gaat er dus om of de huurder iets te verwijten valt. Dit valt vervolgens weer onder het bereik van artikel 7:213 BW Pro (de huurder moet zich als goed huurder gedragen).
De grondslagen van de vordering
Artikel 6.4: Vast staat dat [verweerster] zelf geen hennep heeft gekweekt, terwijl evenmin vast staat dat ze hennep
heeft latenkweken.
Artikel 6.17: Dit artikel is niet aan de orde omdat er geen schade is.
Artikel 6.6 en 7:214 BW: Los van de vraag of de 21 hennepplanten in de berging (formeel een hennepkwekerij), de woonbestemming van het gehuurde hebben aangetast, wijst het hof erop dat niet is komen vast te staan dat [verweerster] hiervan een tot tekortkoming leidend verwijt treft.
Het beroep op de tenzij-bepaling (artikel 6:265, eerste lid, slot BW).
Slotsom
Beslissing
Het hof:
R.M. Hermans en getekend en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2021door de rolraadsheer mr. J.E.H.M. Pinckaers in aanwezigheid van de griffier.