Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
- op 26 februari 2021 een V-formulier van diezelfde datum met bijlage;
- op 2 maart 2021 een V-formulier van diezelfde datum met als bijlage een brief van eveneens diezelfde datum;
- op 22 april 2021 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;
- op 30 april 2021 een brief van diezelfde datum met als bijlage een V-formulier van eveneens diezelfde datum met bijlagen.
PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN
BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP
primair: ten aanzien van het verzoek van de man tot echtscheiding: de echtscheiding onder toepassing van Frans recht eerst uit te spreken nadat de prestation compensatoire is vastgesteld;
€ 315.000,- ten behoeve van de schadeloosstelling van de vrouw als bedoeld in artikel 270 en Pro 271 Frans Burgerlijk Wetboek, waarbij zij zich het recht voorbehoudt haar verzoek naar boven bij te stellen, indien de inkomens- en vermogensgegevens van de man daartoe aanleiding geven;
€ 1.514 per maand ter zake de hypothecaire lasten en dat de overige eigenaarslasten pro rato hun aandeel in de vaste lasten van de woning, staande en gelegen te [adres] , worden voldaan, althans dat deze maandelijkse termijnen te zijner tijd verrekend kunnen worden uit de respectieve aandelen in de netto verkoopopbrengst van de voormalige echtelijke woning, zo deze alsdan niet volledig voldaan zouden zijn.
primair:
subsidiair:
€ 247.959,- uit de overwaarde ontvangen en de vrouw een bedrag van € 283.558,- - € 25.000,- = 258.558,-. In geval van onderwaarde zal de man dit verlies voor 60% en de vrouw voor 40% dragen. Mocht de verkoopopbrengst van de woning hoger zijn dan het bedrag van € 1.300.000,- dan wordt het meerdere van de overwaarde verder tussen partijen in de verhouding 60% voor de man en 40% voor de vrouw verdeeld.
€ 44.327,- vast te stellen over de periode van 1 februari 2019 tot 1 september 2020. In die periode verbleef de vrouw, met uitsluiting van de man, in de woning, zodat zij als enige het genot daarvan had. De woning had in die tijd kunnen worden verhuurd voor € 3.888,- per maand. Zijn advocaat heeft ter terechtzitting verklaard dat dit verzoek is gestoeld op artikel 3:169 BW Pro. De vrouw verzet zich tegen het opleggen van een gebruiksvergoeding.