ECLI:NL:GHDHA:2021:1550
Gerechtshof Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen vernietiging echtscheidingsconvenant inzake partneralimentatie
Partijen zijn in 2011 gescheiden en hebben in 2014 een echtscheidingsconvenant gesloten waarin zij wederzijds afstand deden van partneralimentatie. De rechtbank vernietigde deze afstand en kende de man partneralimentatie toe, terwijl de vrouw niet was verschenen en werd opgeroepen als onbekend verblijfplaats.
De vrouw kwam in hoger beroep en voerde aan dat zij niet correct was opgeroepen en niet op de hoogte was van de procedure, waardoor het beginsel van hoor en wederhoor was geschonden. De man stelde dat het convenant niet rechtsgeldig was wegens een wilsgebrek bij hem door psychische stoornissen.
Het hof oordeelde dat de vrouw een bekend adres in een EU-lidstaat had en de oproeping onrechtmatig was, waardoor de beroepstermijn pas startte bij betekening van de beschikking op haar adres. De vrouw was daardoor tijdig in hoger beroep gekomen en ontvankelijk.
Het hof stelde vast dat onvoldoende bewijs was geleverd voor een wilsgebrek bij de man ten tijde van het sluiten van het convenant. De man, een jurist, had het initiatief genomen en het convenant was na overleg tot stand gekomen. De man moest aan het convenant worden gehouden en de verzoeken tot partneralimentatie werden afgewezen.
Het hof vernietigde de beschikking van de rechtbank en compenseerde de proceskosten in hoger beroep, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank en wijst het verzoek tot partneralimentatie af, waarbij partijen aan het echtscheidingsconvenant worden gehouden.