ECLI:NL:GHDHA:2021:1554
Gerechtshof Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Vader ontzegd omgangsrecht met minderjarige voor twaalf maanden wegens ernstig nadeel
Het gerechtshof Den Haag behandelde het hoger beroep van de vader tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam waarin hem het recht op omgang met zijn minderjarige zoon voor twaalf maanden werd ontzegd. De vader wenste een omgangsregeling, maar de rechtbank had geoordeeld dat contact ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind.
Het hof bevestigde dat de zoon sinds 2015 onder toezicht staat van een gecertificeerde instelling en gediagnosticeerd is met PTSS, waarvoor hij nog niet behandeld wordt vanwege een lange wachtlijst bij de GGZ. De moeder is als gezagsdrager aangemerkt en het gezamenlijk gezag is beëindigd. De vader heeft al jaren geen contact met zijn zoon en stelt zich in staat om zorg en opvoeding deels op zich te nemen, maar het hof acht het noodzakelijk dat eerst behandeling plaatsvindt.
De moeder stelde dat de zoon geen contact wenst en dat de vader in het verleden mishandelend was. De GI benadrukte dat contactherstel pas aan de orde is na behandeling. Het hof vond, mede gelet op de belastende voorgeschiedenis en de wens van het kind, dat omgang op dit moment ernstig nadeel oplevert. Het hof bekrachtigde daarom de ontzegging van het omgangsrecht voor twaalf maanden.
Het hof uitte tevens zorg over de lange wachtlijsten bij de GGZ-instellingen voor jeugdhulpverlening, die de noodzakelijke hulpverlening vertragen en nadelige gevolgen kunnen hebben. Tot slot wees het hof de moeder op haar verplichting om de vader regelmatig te informeren over de gezondheid en ontwikkeling van de minderjarige.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ontzegging van het omgangsrecht van de vader voor twaalf maanden wegens ernstig nadeel voor de geestelijke ontwikkeling van de minderjarige.