ECLI:NL:GHDHA:2021:1599
Gerechtshof Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep verdeling huwelijksgemeenschap en onttrekking gelden tijdens huwelijk
Partijen zijn gehuwd in algehele gemeenschap van goederen zonder huwelijkse voorwaarden en zijn op 11 april 2018 feitelijk uit elkaar gegaan. De man vordert in hoger beroep dat het hof bepaalt dat 11 april 2018 als peildatum geldt voor de waardering van de boedelbestanddelen en dat de vrouw een bedrag van €57.000 aan de gemeenschap of aan hem moet vergoeden wegens onttrekking van gelden tijdens het huwelijk.
Het hof stelt vast dat partijen het eens zijn over de peildatum van 11 april 2018 voor samenstelling en waardering van de gemeenschap, maar dat de ontbinding van de gemeenschap in goederenrechtelijke zin pas plaatsvond bij het verzoek tot echtscheiding op 24 april 2019. Goederen en schulden na die datum moeten nog verdeeld worden.
De vrouw was bestuursbevoegd over de gemeenschappelijke rekeningen en heeft het huishouden volledig geregeld, met instemming en toezicht van de man. Hoewel de vrouw geld heeft opgenomen en €24.539 aan haar kinderen heeft geschonken, is niet bewezen dat zij gelden opzettelijk heeft verzwegen of onrechtmatig heeft beheerd.
Het hof oordeelt dat de vrouw geen verantwoording hoeft af te leggen over contante opnames en dat de handelswijze niet onrechtmatig is. De stellingen van de man dat de vrouw €57.000 onttrokken heeft en moet vergoeden, worden verworpen wegens gebrek aan bewijs.
Het hof vernietigt de bestreden beschikking voor zover de peildatum niet overeenkomt met de overeengekomen datum en bekrachtigt deze voor het overige, waarbij het hoger beroep van de man wordt afgewezen.
Uitkomst: Het hof vernietigt de peildatum van de rechtbank en wijst het verzoek van de man af dat de vrouw €57.000 aan de gemeenschap moet vergoeden.