Het geschil betreft een procedure tussen de ouders over de hoofdverblijfplaats van hun minderjarige kind. De raad voor de kinderbescherming trad in deze zaak op in een adviserende rol en werd door de rechtbank niet als belanghebbende aangemerkt.
De raad stelde zich op het standpunt dat zij wel bevoegd was tot het instellen van hoger beroep, omdat zij een afschrift van de beschikking had ontvangen. Het hof oordeelde echter dat het enkele ontvangen van een afschrift niet impliceert dat de raad de status van belanghebbende krijgt en dat de raad in deze procedure geen rechten of verplichtingen heeft die rechtstreeks worden geraakt.
De raad werd daarom niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De beslissing werd genomen door het gerechtshof Den Haag op 25 augustus 2021.