In deze civiele zaak in hoger beroep, waarbij de geïntimeerde niet is verschenen en verstek is verleend, heeft het Gerechtshof Den Haag op 31 augustus 2021 een arrest gewezen. Vervolgens verzocht de advocaat van de appellant om een kennelijke verschrijving in het arrest te verbeteren en alsnog te beslissen over de hoofdelijkheid van de betaling van servicekosten.
Het hof oordeelde dat het verzoek om verbetering gegrond was omdat het om een duidelijke fout ging die eenvoudig te herstellen viel. Tevens werd het verzuim om over de hoofdelijkheid te beslissen hersteld. De verbeteringen betroffen onder meer het corrigeren van het bedrag aan te betalen servicekosten en het expliciet opnemen van een hoofdelijk veroordeling, waarbij de betaling door één partij de ander bevrijdt.
De beslissing tot verbetering werd op 5 oktober 2021 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. Voor het overige bleef het arrest van 31 augustus 2021 ongewijzigd. Hiermee is de juridische duidelijkheid over de betalingsverplichtingen in de onderliggende civiele zaak hersteld.