In deze zaak richt het beklag zich tegen de beslissing van het Openbaar Ministerie om vijf politieambtenaren niet te vervolgen voor racistische uitlatingen in een besloten WhatsApp-groep. Het onderzoek startte na een artikel in NRC Handelsblad waarin dergelijke uitlatingen werden gemeld. Hoewel de uitlatingen laakbaar werden bevonden, achtte het OM ze niet strafbaar omdat ze niet openbaar waren gedaan.
Klagers voerden aan dat de uitlatingen wel openbaar waren, onder meer omdat de werkgever de berichten kon monitoren en ze via Wob-verzoeken openbaar konden worden. Ook stelden zij dat er sprake was van (voorwaardelijk) opzet tot openbaarmaking. Het hof heeft het dossier en de argumenten van partijen bestudeerd en geoordeeld dat de WhatsApp-groep een besloten, privékarakter had met een kleine kring van collega’s die elkaar goed kenden.
Het hof concludeerde dat de uitlatingen niet openbaar waren gedaan en dat het voorwaardelijk opzet op openbaarheid ontbrak. Daarnaast was openbaarmaking via de Wob niet aannemelijk. De argumenten van klagers brachten geen nieuwe inzichten. Daarom oordeelde het hof dat er onvoldoende aanknopingspunten waren voor vervolging en wees het beklag af.