De zaak betreft een hoger beroep van de moeder tegen de ondertoezichtstelling van haar minderjarige kind, die door de rechtbank was bevolen vanwege een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van het kind. De ouders zijn in conflict over de omgang, waarbij de moeder vreest voor de veiligheid bij de vader, terwijl de vader juist een goede omgang nastreeft.
De moeder stelt dat vrijwillige hulpverlening voldoende is en dat de bedreiging niet concreet is aangetoond. De raad voor de kinderbescherming en de gecertificeerde instelling betogen dat de strijd tussen de ouders en het gebrek aan samenwerking de ontwikkeling van het kind ernstig bedreigen, met risico op loyaliteitsconflicten en ouderverstoting. De vader bevestigt de noodzaak van de ondertoezichtstelling en wijst op het gedrag van de moeder dat de omgang belemmert.
Het hof oordeelt dat de minderjarige ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd door het conflict tussen de ouders, dat de moeder onvoldoende meewerkt aan hulpverlening en dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is om de bedreiging af te wenden. De bestreden beschikking wordt dan ook bekrachtigd en de ondertoezichtstelling voor de gevraagde duur van twaalf maanden gehandhaafd.