De kantonrechter had de goederen van betrokkene onder bewind gesteld, ondanks dat betrokkene eerder een algemene volmacht aan de huidige bewindvoerder had verleend. Het hof heeft onderzocht of de volmacht zou herleven indien de onderbewindstelling wordt vernietigd. De advocaat van verzoekster stelde dat de volmacht vervalt bij instelling van het bewind en niet herleeft bij vernietiging, terwijl verweerders betoogden dat de volmacht zou herleven.
Het hof oordeelde dat de volmacht niet herleeft na beëindiging van het bewind, mede vanwege een expliciete clausule in de volmachtakte dat de volmacht eindigt bij onderbewindstelling. De vergelijking met faillissement werd verworpen, omdat vernietiging van een faillissement anders werkt dan bij onderbewindstelling. Het hof bekrachtigde daarom de onderbewindstelling en verklaarde het incidenteel hoger beroep ingetrokken.
Ten slotte besloot het hof de proceskosten in hoger beroep te compenseren, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt, vanwege de familierechtelijke aard van de procedure. De beschikking werd op 27 oktober 2021 uitgesproken.