ECLI:NL:GHDHA:2021:2412
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot terugbetaling wegens onvoldoende bewijs diefstal geldkistje
In deze civiele zaak stond centraal of appellant geld van geïntimeerde had ontvreemd uit diens geldkistje ter waarde van €9.750,-. Geïntimeerde stelde dat appellant onrechtmatig handelde en vorderde terugbetaling. Het hof oordeelde dat de onderhandse terugbetalingsregeling geen dwingende bewijskracht heeft en het overige bewijs ontoereikend is om diefstal te bewijzen.
Appellant voerde aan dat de verklaring onder bedreiging en misbruik van omstandigheden was verkregen, wat door het hof aannemelijk werd geacht gezien de omstandigheden tijdens de bijeenkomst op 2 november 2016. Getuigenverklaringen en sms-berichten ondersteunden dit beeld. Daarnaast ontbrak bewijs dat het geld daadwerkelijk in het geldkistje aanwezig was op de momenten van vermeende diefstal.
Het hof vond de gang van zaken van geïntimeerde ongeloofwaardig, onder meer vanwege het ontbreken van preventieve maatregelen ondanks eerdere verdenkingen en het late tijdstip van controle van het geldkistje. Bankafschriften van appellant toonden stortingen die niet in overeenstemming waren met de terugbetalingsregeling. Nieuwe stellingen van geïntimeerde werden buiten beschouwing gelaten wegens strijd met de goede procesorde.
Het hof vernietigde de vonnissen van de rechtbank en wees de vorderingen af. Geïntimeerde werd veroordeeld in de proceskosten van appellant in beide instanties, die uitvoerbaar bij voorraad werden verklaard.
Uitkomst: De vordering tot terugbetaling van €9.750 wegens diefstal wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs.