AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Aansprakelijkheid Hoogheemraadschap voor schade door niet-handhaving oppervlaktewaterpeil met verzakking woonboerderij
Appellant is eigenaar van een woonboerderij in de Nessepolder, waar het Hoogheemraadschap verantwoordelijk is voor het waterpeilbeheer. Door het niet handhaven van het in het peilbesluit vastgelegde oppervlaktewaterpeil, dat geleidelijk werd verlaagd, is het veen onder de woning gaan oxideren en inklinken, wat tot ernstige verzakkingsschade leidde.
Het hof stelt vast dat het Hoogheemraadschap onvoldoende heeft onderbouwd dat de peilverlaging noodzakelijk was vanwege maaivelddaling. Ook heeft het niet onderzocht of de peilverlaging schade zou veroorzaken, noch maatregelen getroffen om die te voorkomen. Daarnaast heeft het Hoogheemraadschap appellant niet geadviseerd over een eenvoudige schadebeperkende maatregel, namelijk het plaatsen van een dam in de sloot naast de woning.
De rechtbank had de vordering afgewezen, onder meer vanwege onvoldoende bewijs van causaal verband en verjaring. Het hof oordeelt echter dat appellant tijdig de verjaring heeft gestuit en dat het onrechtmatig handelen van het Hoogheemraadschap aannemelijk is. Uit deskundigenrapporten blijkt dat de verlaging van het oppervlaktewaterpeil ook het grondwaterpeil heeft verlaagd, wat direct heeft geleid tot verzakking en ernstige schade aan de woning.
De staat van onderhoud en fundering van de woning kunnen niet aan appellant worden tegengeworpen, aangezien het Hoogheemraadschap het risico van schade bij een kwetsbare woning had moeten voorzien en maatregelen had moeten nemen. Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt het Hoogheemraadschap tot schadevergoeding, waarvan de omvang nog in een schadestaatprocedure moet worden vastgesteld.
Uitkomst: Het Hoogheemraadschap wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding wegens onrechtmatig niet-handhaven van het oppervlaktewaterpeil, met de omvang van de schade nader te bepalen.
Voetnoten
1.Productie 4 bij inleidende dagvaarding (hier niet volledig geciteerd).
2.Opgenomen in de memorie van antwoord in incidenteel appel onder nr. 15.
3.Productie 6 bij inleidende dagvaarding.
4.HR 9 juli 2010, NJ 2010, 418.
5.Conclusie van antwoord in eerste aanleg nr. 30; memorie van antwoord nr. 9; pleitnota in hoger beroep nr. 3.
6.Zie het in zoverre in hoger beroep niet bestreden oordeel van de rechtbank in rov. 4.11.
7.HR 9 december 2011, NJ 2013, 7; HR 8 mei 2015, NJ 2016, 218.
8.Tussenrapport Expertisedienst Brand/Varia bladnummer 7 (bijlage 2.1 bij rapport Helsdingen, productie 2 bij Akte overlegging producties in eerste aanleg.
9.Conclusie van antwoord in eerste aanleg nr. 63.
10.Productie 13 bij conclusie van antwoord in eerste aanleg p. 2.
11.Productie 37 bij memorie van grieven p. 21.
12.Productie 30 bij akte van 24 april 2018 in eerste aanleg p. 10.
13.Zie de brief van het Hoogheemraadschap van 23 maart 2000 (nr. 2.6 hiervoor).
14.Productie 13 bij conclusie van antwoord in eerste aanleg p. 3.
15.Zie de brief van het Hoogheemraadschap van 23 maart 2000 (nr. 2.6 hiervoor).
16.Zie de situatieschets van de inspectieputjes in het rapport van Fugro.
17.Zie ook het rapport van Helsdingen van 18 september 2020 p. 25-26, 27 (productie 37 memorie van grieven).
18.Productie 37 bij memorie van grieven p. 25.
19.Memorie van grieven nr. 172; pleitnota in hoger beroep mr. Brinkhof nr. 62.
20.Memorie van grieven nr. 174.
21.Rapport Helsdingen van 2 mei 2013 p. 36 (productie 2 bij Akte overlegging producties in eerste aanleg).
22.Rapport Hanselman p. 18 (productie 30 bij akte van 24 april 2018 in eerste aanleg).
23.Inleidende dagvaarding nr. 7.4.