De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam die een verzoek om schadevergoeding wegens onrechtmatige voorlopige hechtenis had afgewezen. De strafzaak tegen verzoeker werd geseponeerd op grond van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs, mede door het uitgevoerde sporenonderzoek.
Verzoeker had voorlopige hechtenis ondergaan van 23 juli 2017 tot en met 22 september 2017. De rechtbank had zijn verzoek om vergoeding van de geleden schade afgewezen, maar het hof oordeelde anders. Het hof stelde vast dat er geen aanwijzingen waren dat verzoeker het voortduren van zijn hechtenis aan zichzelf te wijten had en achtte daarom gronden van billijkheid aanwezig.
Het hof vernietigde de beschikking van de rechtbank en kende een schadevergoeding toe van €4.875,-, gebaseerd op een vergoedingsmaatstaf van €105,- per dag in beperkingen en €80,- per dag zonder beperkingen. De vergoeding wordt betaald uit de Rijkskas. De beschikking werd op 5 maart 2021 in het openbaar uitgesproken.