ECLI:NL:GHDHA:2021:2651

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
5 maart 2021
Publicatiedatum
4 februari 2022
Zaaknummer
001086-20
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 534 SvArt. 89 Sv (oud)EU-Richtlijn 2016/343
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing hoger beroep tegen schadevergoeding na beleidssepot mishandeling

De zaak betreft een hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Den Haag die een verzoek om schadevergoeding voor gemaakte kosten rechtsbijstand afwees. De strafzaak tegen de verzoeker werd geseponeerd wegens gewijzigde omstandigheden, waarbij sprake was van een beleidssepot en intrekking van een strafbeschikking.

Het hof overweegt dat de toekenning van schadevergoeding op grond van artikel 530 Sv Pro afhangt van een billijkheidsoordeel, waarbij het niet alleen gaat om de waarschijnlijkheid van een veroordeling. Het criterium dat een zaak onmiskenbaar tot niet opleggen van straf moet leiden, wordt door het hof niet gevolgd vanwege jurisprudentie van het EHRM en EU-richtlijnen.

In deze zaak is geen sprake van gronden van billijkheid voor vergoeding van kosten rechtsbijstand. De verzoeker werd verdacht van mishandeling, waarbij de partner melding deed en de politie ter plaatse een rode wang constateerde. De verzoeker had mentale problemen, maar deze waren onvoldoende om toerekenbaarheid aan te tasten. Het sepot was niet gebaseerd op gezondheidstoestand of bewijssepot.

Daarom dienen de kosten van rechtsbijstand en de kosten voor het verzoekschrift voor rekening van verzoeker te blijven. Het hof wijst het hoger beroep af en bevestigt daarmee de afwijzing van de rechtbank.

Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bevestigt de afwijzing van de schadevergoeding.

Uitspraak

Parketnummer 09-122156-19
Datum uitspraak 5 maart 2021

GERECHTSHOF DEN HAAG

meervoudige raadkamer

BESCHIKKING

gewezen op het hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Den Haag van 24 december 2019 op een verzoekschrift, op grond van artikel 530 (oud: artikel 591a) van het Wetboek van Strafvordering ingediend door en namens:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [geboortedatum],
adres: [adres],
in deze zaak woonplaats kiezende ten kantore van zijn advocaat, [naam], [adres].
Procesgang
Bij schriftelijke kennisgeving van 15 juli 2019 heeft de officier van justitie aan verzoeker medegedeeld dat de strafzaak tegen hem met het in de koptekst genoemde parketnummer is geseponeerd wegens gewijzigde omstandigheden.
Namens de verzoeker is bij een op 2 september 2019 ter griffie van de rechtbank ingekomen verzoekschrift gevraagd hem een schadevergoeding toe te kennen van een bedrag van € 2.979,63 ter zake van de door hem in zijn strafzaak gemaakte kosten voor rechtsbijstand, alsmede van € 280,- dan wel € 550,00 ter zake van kosten van het door zijn advocaat opstellen en eventueel in de raadkamer behandelen van het onderhavige verzoekschrift.
De rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van
24 december 2019 dit verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Namens de verzoeker is op 7 januari 2020 hoger beroep tegen die beschikking ingesteld.
De raadkamer van het hof heeft dit hoger beroep op
22 januari 2021 in het openbaar behandeld. Daarbij zijn gehoord de advocaat van verzoeker en de advocaat-generaal mr. W. Bos. De verzoeker is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet verschenen.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van het hoger beroep.
Beoordeling van het hoger beroep
De strafzaak tegen de verzoeker is geëindigd met een beslissing die de verzoeker op grond van artikel 530, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering in beginsel recht geeft op vergoeding van de ten behoeve van de strafzaak gemaakte kosten voor rechtsbijstand, indien en voor zover daartoe - alle omstandigheden in aanmerking genomen - gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Het hof overweegt in dat verband als volgt. In deze zaak is sprake van een beleidssepot wegens ‘inmiddels gewijzigde omstandigheden’ onder gelijktijdige intrekking van een strafbeschikking.
Ingevolge het bepaalde in artikel 534, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Uit de Memorie van Toelichting bij de wet van 26 juni 1975, Stb. 1975, 341 (waarbij in artikel 89 Sv Pro (oud) de term tegemoetkoming is vervangen door schadevergoeding) volgt dat de beoordeling van de vraag of er grond is voor een vergoeding haar antwoord vindt “in het billijkheidsoordeel, nl. de vraag of het redelijk is dat de nadelige gevolgen van de indertijd bestaande verdenking niet voor rekening van de gewezen verdachte worden gelaten, maar geheel of gedeeltelijk door de Staat worden gedragen.” (Kamerstukken II, 1972, 12 132, nr. 3, p. 3) [1]
De waarschijnlijkheid van een veroordeling bij een vervolging die niet is voortgezet, is op zichzelf geen bruikbaar criterium voor het billijkheidsoordeel
over de toekenning of afwijzing van schadevergoeding op de voet van artikel 530 Sv Pro [2] .
Het door de Advocaat-generaal in raadkamer gehanteerde criterium te weten dat er voor een schadevergoeding sprake moet zijn van ‘een zaak die, indien tot (verdere) vervolging zou zijn overgegaan, onmiskenbaar zou hebben geleid tot het niet opleggen van een straf of maatregel’ is naar het oordeel van het hofhof niet in lijn met de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) met betrekking tot de onschuldpresumptie en het gestelde in met name artikel 4 van Pro de EU-Richtlijn 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn.
Het hof acht geen gronden van billijkheid aanwezig voor toekenning van een vergoeding ter zake van kosten rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak. Het hof heeft daarbij alle omstandigheden in aanmerking genomen waaronder de volgende:
In deze zaak werd verzoeker verdacht van mishandeling van zijn partner. De partner van verzoeker heeft daarvan melding gedaan bij de politie, die ter plaatse is gegaan en verzoeker en zijn partner, met een rode wang, aldaar heeft aangetroffen.
Verzoeker heeft na aanhouding verklaard hulp te zullen zoeken. De zaak is daarop geseponeerd wegens gewijzigde omstandigheden.
Met betrekking tot het door de advocaat in het kader van het verzoek om schadevergoeding betrokken stelling dat in geval van vervolging geenszins is uit te sluiten dat verzoeker een beroep op een schulduitsluitingsgrond zou toekomen als gevolg van bij hem vastgestelde PTSS en depressieve stoornis, en hem daarom schadevergoeding toekomt voor kosten rechtsbijstand, overweegt het hof als volgt.
Uit het dossier kan weliswaar worden afgeleid dat verzoeker ten tijde van de gebeurtenis mentale problemen ondervond, maar onvoldoende volgt uit het dossier dat zijn geestesgesteldheid aan de toerekenbaarheid van het feit zou hebben afgedaan.
Het sepot is, gelet op de sepotomschrijving, ook niet ingegeven door de (geestelijke)gezondheidstoestand van de verzoeker en betreft geen bewijssepot.
Onder die omstandigheden is het hof – met de rechtbank - van oordeel dat de kosten van rechtsbijstand gedurende het opsporingsonderzoek voor rekening van verzoeker dienen te blijven en dat geen gronden van billijkheid aanwezig zijn om tot een vergoeding van deze kosten te komen.
In het verlengde hiervan is het hof evenals de rechtbank van oordeel dat ook de kosten voor het opstellen, indienen en in raadkamer behandelen van het onderhavige verzoekschrift dienen te worden afgewezen.
Gelet op het vorenstaande dient het hoger beroep te worden afgewezen.
Beslissing
Het hof:
Wijst het hoger beroep af.
Deze beschikking is gewezen door
mr. T.B. Trotman, voorzitter,
mr. W.A.G.J.W. Ferenschild en mr. J.T.C. Leliveld, leden,
in bijzijn van de griffier mr. J.C.A. Verhoef,
en op 5 maart 2021 in het openbaar uitgesproken.
Deze beschikking is ondertekend door de voorzitter en de griffier.

Voetnoten

1.Zie: Hof Amsterdam 20/1/2017, ECLI:NL: GHAMS:2017:610
2.( zie ook Hof Amsterdam, 6 april 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:1199)