Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2021:2818

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
4 maart 2021
Publicatiedatum
19 april 2022
Zaaknummer
BK-20/00392
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding in belastingzaak BPM

Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen een aanslag BPM voor de registratie van een uit Duitsland afkomstige BMW X5. De Rechtbank had het bezwaar gegrond verklaard maar ook niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding, en de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade en proceskosten.

In hoger beroep bevestigt het Gerechtshof dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Het Hof wijst erop dat belanghebbende geen inhoudelijke of formele gronden heeft aangevoerd die tot een ander oordeel leiden. Het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur wordt gegrond verklaard vanwege de afkeurenswaardige proceshouding van de gemachtigde van belanghebbende.

Daarom worden de door de Rechtbank toegekende vergoedingen van immateriële schade en proceskosten ongedaan gemaakt. Het Hof ziet geen reden voor prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie en veroordeelt partijen niet in de proceskosten.

Uitkomst: Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard en de toegekende vergoedingen aan belanghebbende worden ingetrokken.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-20/00392

Uitspraak van 4 maart 2021

in het geding tussen:

[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,

en
de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen/Team Auto BPM, kantoor Doetinchem, de Inspecteur,
op het hoger beroep van belanghebbende en het incidentele hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 27 februari 2020, nr. SGR 18/6692.

Overwegingen

1. De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Inspecteur op het bezwaar tegen het op 10 januari 2018 op aangifte hebben voldaan van belasting van personenauto’s en motorrijwielen van € 5.890 voor de Nederlandse registratie van een uit Duitsland afkomstige BMW X5 gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, de Inspecteur veroordeeld belanghebbende immateriële schade van € 500 te vergoeden en proceskosten van € 1.050 te betalen en de Inspecteur opgedragen belanghebbende het griffierecht van € 338 te vergoeden, met dien verstande dat die bedragen worden vermeerderd met wettelijke rente vanaf vier weken na de openbaarmaking van de uitspraak tot aan de dag van de algehele voldoening.
2. Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 532 is geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft gereageerd bij aan de Inspecteur doorgezonden faxbericht van 10 juli 2020 ("Beantwoording Incidenteel Hoger Beroep") en faxbericht van 21 januari 2021 ("pleitnota"). De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad in Den Haag ter zitting van het Hof van 22 januari 2021. Partijen zijn verschenen. Op de zitting zijn ook de door dezelfde gemachtigde ingestelde hoger beroepen behandeld in de 15 zaken met de BK-nummers 20/00067, 20/00013 t/m 20/00027, 20/00065, 20/00066, 20/00068, 20/00069, 20/00245, 20/00246, 20/00247 t/m 20/00252, 20/00253 en 20/00254, 20/00378 t/m 20/00381, 20/00382 t/m 20/00387, 20/00388 en 20/00389, 20/00390 en 20/00391. Wat in het ene hoger beroep door partijen is aangevoerd en ingebracht geldt, voor zover van toepassing, ook voor de andere hoger beroepen.
3. In hoger beroep spitst, zo wil het Hof begrijpen, het geschil zich toe op de vraag of belanghebbende in haar bezwaar ontvankelijk is. Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.
4. Het Hof stelt voorop onvoldoende reden te zien de gemachtigde van belanghebbende in deze procedure te weigeren.
5. De beschikbare gegevens, in het licht van de relevante regelgeving, wijzen naar 's Hofs oordeel niet anders uit, anders dan de Inspecteur heeft gesteld, dan dat de Rechtbank op goede gronden, begrijpelijk en juist, heeft geoordeeld dat het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk is. Belanghebbende heeft, ook in hoger beroep, niets aangevoerd dat rechtvaardigt anders te oordelen of waaruit anderszins een inhoudelijk of formeel beletsel is te putten voor het bevestigen van de uitspraak van de Rechtbank. Al wat van de kant van belanghebbende is aangevoerd treft geen doel, daar de stellingen, zo al relevant en te volgen, niet blijk geven van een juiste rechtsopvatting dan wel feitelijke grondslag missen.
6. De Inspecteur heeft het Hof met de bij wijze van incidenteel hoger beroep gegeven, niet afdoende bestreden, feitelijke uiteenzetting over de alleszins afkeurenswaardige proceshouding van belanghebbende, althans haar gemachtigde, overtuigd dat belanghebbende, anders dan de Rechtbank heeft geoordeeld, niet in aanmerking komt voor een vergoeding van immateriële schade.
7. Het Hof ziet voor deze procedure geen reden het Hof van Justitie van de Europese Unie prejudiciële vragen voor te leggen.
8. Het hoger beroep is ongegrond en het incidentele hoger beroep gegrond.
9. Het Hof ziet geen reden de Inspecteur en onvoldoende reden belanghebbende te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank, behalve de beslissing over de immateriële schade.
De uitspraak is vastgesteld door U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd. De beslissing is op 4 maart 2021, met de nodige coronabeperkingen, in het openbaar uitgesproken.
aangetekend aan
partijen verzonden:
Tegen deze uitspraak kan zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaanbinnen zes wekenna de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad: www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Wanneer die personen geen gebruik willen maken van digitaal procederen, sturen zij het beroepschrift in cassatie aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2. Alleen bij procederen op papier: het cassatieberoepschrift moet ondertekend zijn;

3. Het cassatieberoepschrift moet ten minste vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. De indiener zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.