De betrokkene is in eerste aanleg veroordeeld voor meerdere Opiumwetdelicten en de rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 8 december 2016 het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €234.713,45, met een betalingsverplichting van €189.503,45 aan de Staat. Namens de betrokkene is hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.
Het hof heeft het financieel rapport, opgesteld naar aanleiding van een strafrechtelijk financieel onderzoek, als basis genomen voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit rapport omvat een kasopstelling van contante uitgaven en legale inkomsten over de periode van 1 maart 2007 tot en met 1 november 2010. De verdediging voerde aan dat de kasopstelling onjuist was en dat het bedrag op nul gesteld moest worden, onder meer vanwege de onschuldpresumptie en het feit dat de onderzoeksperiode langer was dan de bewezenverklaarde periode.
Het hof verwierp deze verweren en oordeelde dat er voldoende aanwijzingen zijn dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft genoten, mede gelet op eerdere veroordelingen en de financiële transacties. Het hof corrigeerde enkele posten in het voordeel van de betrokkene, zoals de aanschafprijs van een BMW en brandstofkosten, en bracht het bedrag van de betalingsverplichting terug naar €184.503,45. Tevens werd een matiging van €10.000,- toegepast vanwege schending van de redelijke termijn.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en deed opnieuw recht door het wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen op €234.713,45 en de betalingsverplichting aan de Staat op €184.503,45. De duur van de gijzeling werd vastgesteld op maximaal drie jaren.