Het gerechtshof Den Haag behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter inzake mishandeling van de voormalige echtgenote van de verdachte op 18 augustus 2018. De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot een taakstraf, maar vrijgesproken van een andere verdenking. In hoger beroep werd de verdachte niet-ontvankelijk verklaard voor het deel van het hoger beroep dat de vrijspraak betrof.
Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zijn voormalige echtgenote mishandeld heeft door haar op de rug te slaan, een theepot tegen haar rug te gooien en/of haar bij de haren te pakken. Andere tenlasteleggingen werden niet bewezen verklaard. De strafbaarheid van de mishandeling werd bevestigd.
Hoewel het openbaar ministerie aanvankelijk een voorwaardelijk sepot had gegeven, werd later alsnog vervolging ingesteld. De verdachte werd echter vrijgesproken van de bedreiging die aanleiding gaf tot vervolging. Het hof stelde vast dat de verdachte de voorwaarden van het sepot heeft nageleefd, geen andere strafbare feiten heeft gepleegd en dat de relatie met de aangeefster is verbeterd. Gezien de geringe ernst van het bewezenverklaarde en de positieve persoonlijke omstandigheden, besloot het hof geen straf of maatregel op te leggen.