ECLI:NL:GHDHA:2021:316
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak meineed en valsheid in geschrift wegens ontbreken opzet
De zaak betreft hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag waarin verdachte primair en subsidiair werd vrijgesproken van meineed en valsheid in geschrift. De officier van justitie had hoger beroep ingesteld en vorderde een taakstraf of gevangenisstraf.
De tenlastelegging hield in dat verdachte op 21 januari 2018 een proces-verbaal van bevindingen had opgemaakt met onjuiste verklaringen over het gedrag van een derde verdachte tijdens een aanhouding. Het hof heeft beoordeeld of sprake was van (voorwaardelijk) opzet op het afleggen van een onjuiste verklaring en of sprake was van het oogmerk om die verklaring als echt en onvervalst te gebruiken.
Het hof concludeert dat het enkele feit dat de verklaring achteraf niet strookt met camerabeelden niet voldoende is om opzet aan te nemen. Verdachte beschikte niet over de camerabeelden ten tijde van het opstellen van het proces-verbaal en baseerde zich op zijn herinnering, die beïnvloed kan zijn door factoren zoals een debriefing. Er is geen bewijs van een motief om fouten te verdoezelen. Daarom is het primair en subsidiair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen.
Het hof vernietigt het vonnis waarvan beroep en spreekt verdachte vrij van meineed en valsheid in geschrift.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van meineed en valsheid in geschrift wegens ontbreken van (voorwaardelijk) opzet en oogmerk.