ECLI:NL:GHDHA:2021:642
Gerechtshof Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek schorsing wijziging hoofdverblijfplaats minderjarige
De rechtbank Rotterdam had bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige per 18 februari 2021 bij de vader zou zijn, en deze beschikking was uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De moeder verzocht het hof om schorsing van deze uitvoerbaarheid, omdat zij stelde dat de wijziging onomkeerbare gevolgen heeft en het belang van stabiliteit en veiligheid voor de minderjarige en haarzelf zwaarder weegt dan het belang van de vader.
Het hof behandelde het incidentele verzoek tot schorsing en oordeelde dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom de beschikking uitvoerbaar bij voorraad was verklaard. Het hof voerde een belangenafweging uit waarbij het belang van de moeder bij het behoud van de situatie werd afgewogen tegen het belang van de vader bij uitvoering van de beschikking.
Het hof constateerde dat de moeder met de minderjarige was verdwenen en het contact met de vader en gecertificeerde instelling verbroken was, waardoor het contactherstel werd gefrustreerd. Gezien de noodzaak van contactherstel en het feit dat de minderjarige als vermist stond geregistreerd, vond het hof dat het belang van de vader en de minderjarige zwaarder woog dan het voorkomen van het jojo-effect.
Daarom wees het hof het verzoek tot schorsing af, waardoor de wijziging van de hoofdverblijfplaats per 18 februari 2021 bij de vader blijft en uitvoering aan de beschikking moet worden gegeven. Het hof verwachtte dat de gecertificeerde instelling, vader en moeder samen tot een goede uitvoering zouden komen, waarbij het contactherstel voorzichtig en begeleid zal worden opgepakt.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot schorsing af, waardoor de wijziging van de hoofdverblijfplaats per 18 februari 2021 bij de vader blijft.