ECLI:NL:GHDHA:2021:654
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Faillissementsverklaring na geschil over vorderingsrecht en misbruik van recht
Het gerechtshof Den Haag behandelde het hoger beroep van appellant tegen de afwijzing van zijn verzoek om geïntimeerde in staat van faillissement te verklaren. De rechtbank Rotterdam had het verzoek afgewezen wegens onvoldoende bewijs van het vorderingsrecht van appellant.
Appellant baseerde zijn vorderingsrecht op meerdere proceskostenveroordelingen tegen geïntimeerde, terwijl geïntimeerde een tegenvordering stelde die zij opeisbaar achtte en een beroep deed op verrekening. Het hof oordeelde dat het beroep op verrekening niet op de weg stond en dat summierlijk was gebleken van het vorderingsrecht van appellant.
Geïntimeerde stelde dat appellant misbruik van bevoegdheid maakte door direct faillissement aan te vragen zonder andere incassomogelijkheden te benutten. Het hof verwierp dit standpunt en benadrukte dat een schuldeiser vrij is faillissement aan te vragen bij onbetaalde vorderingen.
Verder bleek uit de stukken dat geïntimeerde meerdere schuldeisers had en in een toestand verkeerde van ophouden met betalen. Het hof verklaarde geïntimeerde daarom failliet, benoemde een curator en rechter-commissaris, en vernietigde de eerdere beschikking van de rechtbank.
Uitkomst: Het hof verklaart geïntimeerde failliet en vernietigt de eerdere afwijzing van het faillissementsverzoek.