Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2021:769

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
29 april 2021
Publicatiedatum
29 april 2021
Zaaknummer
2200285019
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs poging afpersing en uitlokking

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf voor poging tot afpersing en uitlokking, maar in hoger beroep heeft het hof deze veroordeling vernietigd en de verdachte vrijgesproken. De zaak betrof een poging om een derde, het slachtoffer, onder bedreiging tot afgifte van geld te dwingen.

Het hof oordeelde dat niet wettig en overtuigend bewezen kon worden dat de verdachte betrokken was bij de poging tot afpersing of de uitlokking daarvan. Met name was onvoldoende vastgesteld dat de verdachte de gebruiker was van het telefoonnummer dat in de communicatie werd gebruikt. Hoewel een lege simkaart met dat nummer in de woonruimte van de verdachte werd gevonden en de telefoon van de verdachte op momenten dezelfde zendmasten aanstraalde, was dit onvoldoende bewijs.

De advocaat-generaal had gevraagd het vonnis van de rechtbank te vernietigen en de verdachte te veroordelen, maar het hof volgde dit niet. De voorlopige hechtenis werd opgeheven in verband met de vrijspraak. Het hoger beroep was niet ontvankelijk voor zover het gericht was tegen eerdere vrijspraken in eerste aanleg.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van betrokkenheid bij poging tot afpersing en uitlokking.

Uitspraak

Rolnummer: 22-002850-19
Parketnummer: 10-660011-19
Datum uitspraak: 29 april 2021
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 12 juni 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [geboortedatum],
[adres],
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van hetgeen aan haar onder 2 primair en subsidiair is tenlastegelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en mitsdien mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – voor zover inhoudelijk aan het oordeel van het hof onderworpen - tenlastegelegd dat:
1.
zij in of omstreeks de periode van 10 januari 2019 tot en met 11 januari 2019 te Rotterdam en/of Barendrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van (een) geldbedrag(en) (100.000 euro en/of 1000 euro), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan die [slachtoffer] toebehoorde,
- die [slachtoffer] thuis heeft opgezocht en/of
- tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat hij, verdachte, een ton (100.000 euro) kwam innen die [slachtoffer] van een firma zou hebben geleend en/of
- toen die [slachtoffer] aangaf niet te kunnen betalen, tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat hij dan meegenomen zou worden, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of
- ( vervolgens) de woning van die [slachtoffer] is binnengedrongen en/of
- toen bleek dat die [slachtoffer] niet zou kunnen betalen, die [slachtoffer] (dreigend) heeft opgedragen om op 11 januari om 14.00 uur naar een door hem, verdachte, opgegeven telefoonnummer te sms-en om daarna instructies te ontvangen voor de overdracht van het geld en/of
- die [slachtoffer] zijn paspoort en/of rijbewijs heeft laten afgeven (als onderpand) en/of
- die [slachtoffer] (meermalen) (dreigend) telefonisch heeft gezegd dat wanneer [slachtoffer] hem, verdachte, in de maling zou nemen en hij zou worden opgepakt, er al mensen waren ingelicht die dan bij [slachtoffer] voor de deur zouden staan, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of één of meer andere perso(o)n(en) in of omstreeks de periode van 10 januari 2019 tot en met 11 januari 2019 te Rotterdam en/of Barendrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van (een) geldbedrag(en) (100.000 euro en/of 1000 euro), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan die [slachtoffer] toebehoorde,
- die [slachtoffer] thuis heeft opgezocht en/of
- tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat hij, verdachte, een ton (100.000 euro) kwam innen die [slachtoffer] van een firma zou hebben geleend en/of
- toen die [slachtoffer] aangaf niet te kunnen betalen, tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat hij dan meegenomen zou worden, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of
- ( vervolgens) de woning van die [slachtoffer] is binnengedrongen en/of
- toen bleek dat die [slachtoffer] niet zou kunnen betalen, die [slachtoffer] (dreigend) heeft opgedragen om op 11 januari om 14.00 uur naar een door hem, verdachte, opgegeven telefoonnummer te sms-en om daarna instructies te ontvangen voor de overdracht van het geld en/of
- die [slachtoffer] zijn paspoort en/of rijbewijs heeft laten afgeven (als onderpand) en/of
- die [slachtoffer] (meermalen) (dreigend) telefonisch heeft gezegd dat wanneer [slachtoffer] hem, verdachte, in de maling zou nemen en hij zou worden opgepakt, er al mensen waren ingelicht die dan bij [slachtoffer] voor de deur zouden staan, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
welk strafbaar feit zij, verdachte, in de periode van 20 december 2018 tot en met 10 januari 2019 te Rotterdam en/of Dordrecht en/of Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland, althans in Nederland, opzettelijk heeft uitgelokt door giften en/of beloften en/of door het verschaffen van inlichtingen en/of middelen, te weten door die [medeverdachte 1] (onder meer) inlichtingen te verschaffen over het bestaan van een schuld / lening van 100.000 euro en/of die [medeverdachte 1] (daarbij) inlichtingen te verschaffen over het woonadres van die [slachtoffer] en/of de auto van die [slachtoffer] en/of de sportschool die door [slachtoffer] wordt bezocht.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraak
De verdachte wordt ervan verdacht samen met een ander te hebben geprobeerd haar vader af te persen, althans tot die afpersing te hebben uitgelokt. Zij zou daartoe in aanloop naar de afpersing telefonisch contact hebben opgenomen met de medeverdachte en deze medeverdachte gerichte informatie over haar vader hebben verschaft. Daarbij zou zij gebruik hebben gemaakt van het telefoonnummer [telefoonnummer].
Alhoewel een lege simkaarthouder van dit telefoonnummer is aangetroffen in een verhuisdoos in de woonruimte van de verdachte en haar zoon en de telefoon van de verdachte op een aantal momenten dezelfde zendmasten heeft aangestraald als de telefoon met het nummer [telefoonnummer], is het hof, anders dan de rechtbank, van oordeel dat op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting met onvoldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte de gebruiker was van het telefoonnummer [telefoonnummer].
Reeds daarom kan naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard hetgeen aan de verdachte onder 1 primair en 1 subsidiair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Voorlopige hechtenis
Gelet op de beslissing tot vrijspraak zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis worden opgeheven.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit arrest is gewezen door mr. C.H.M. Royakkers,
mr. W.A.G.J.W. Ferenschild en mr. J.A.W. van 't Westeinde, in bijzijn van de griffier mr. T.A. van den Berg.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 29 april 2021.